Awel merci

Tags

, , , , , , , , , , , , ,

In een vlaag van foertisme veroorzaakt door verzamelde ergernis boekte ik in oktober 2021 twee vliegtuigtickets. In de vaste overtuiging dat het goed zou zijn, belde ik moeder(84) op en verkondigde haar mijn blijde boodschap: ‘Mama, we gaan naar Boedapest!’ Er viel een doodse stilte. Hallo?

Moeders reistwijfel en onzekerheid werd extra gevoed door angst, de slechtste raadgever. Haar reeds krakkemikkige lijf kreeg het hard te verduren nadat ze ten val kwam en daar bovenop corona kreeg. De nieuwe heup bleef gelukkig intact. Het getormenteerde hart bleef kloppen. Boedapest lag opeens aan de andere kant van de wereld en was zo goed als onbereikbaar. 

Maar dat was buiten deze gepensioneerde globetrotter en actieve marathonloopster gerekend. De training, zijnde het oppeppen en oplappen van moeders geest en lichaam kon starten met als doel: op 28 april 2022 fluks en vrolijk op dat vliegtuig stappen, sneller dan het licht in Boedapest arriveren, om er vervolgens de uitgeweken kleindochter en ‘t Schotse lief op te zoeken. Strak plan. 

Wat ze zelf écht wou, daar had ik geen oren naar. Eigenwijsheid en rebellie. ‘t Is me nog steeds niet verleerd. De rest van de familie is natuurlijk feilloos.

‘Awel merci,’ – haar favoriete stopwoordjes – ik ga daar niet naar toe hé, als die zot met bommen begint te smijten!’. Bedankt, Poetin. Deze had ik niet zien aankomen. Moeder kreeg flashbacks van WOII en van de Hongaren die massaal in 1956 naar België en Nederland vluchtten. ‘Maar neen mama, ze zullen hun manieren houden tot we terug thuis zijn.’ 

Er was in haar hoofd een constant gevecht aan de gang. Ik wil. Ik wil niet. Ik ga. Ik ga niet. ‘Moet ik alles annuleren?’ vroeg ik in een moedeloos moment. ‘Ik heb je blijkbaar een vergiftigd geschenk gegeven?’ Haar sussen met de gedachte dat ik sowieso naar de hel ga, maakte haar ietsje gemoedelijker. Het annuleringsgesprek werd gedeletet. ‘Wat voor een weer zal het daar zijn?’ ‘Storm!’ Wij komen écht goed overeen. 

‘t Luchthavenvervoer was al een tijdje besteld, kwestie van op ’t gemak te zijn en van niemand te hoeven afhangen. Wachten op die: ‘Zal ik jullie brengen?’ in dit sowieso al gespannen scenario, neen dank u. Ik anticipeer liever op de eventuele teleurstelling. Duidelijkheid schaft rust. 

Gepakt en gezakt arriveer ik ten huize moeder met een extra dosis moed, die ik de voorbije dagen bijeen verzameld heb. Een baxter met epo ware ook niet mis geweest. Moeder daarentegen kreeg in de versleten knie een injectie met cortisone toegediend. Het doel heiligt de middelen. 

Ik arrangeer samen met mama en haar argusogen dé medicatiekit. Een resem pillen om u tegen te zeggen. ‘Doe maar extra morfine mee’ zeg ik met een grijns. ‘Je goat mien hand èn hé.’ ‘Ja ma.’ 

De geleende opklapbare rollator was een no-go, omdat het ding niet proper genoeg is.  Voordat u haar ondankbaar noemt, moeders definitie van proper is oneindig. Ik beet op mijn lip. Ze zou het wel redden met haar wandelstok waar nog het naamplakkaatje van wijlen vaderlief aanhangt van toen hij in het ziekenhuis lag. ‘Blijft eraf hé!’ ‘Ja ma.’ ’t Zit hem in de kleine dingen. 

28 april 2022

D-day zonder slachtoffers. 

Zaventem, we komen eraan. ‘Awel merci’ zegt moeder, terwijl we uitgewuifd worden. Het ongeloof slaat toe. Haar ogen scannen in stilte alles en iedereen. Wist ik veel dat er nog 1001 vragen op me af zouden komen. De behulpzame taximan bracht ons naar de incheckbalie. Moeder in de rolstoel, terwijl ik zorgde dat mijn witte stok niet in haar wielen stak. 

Na het inchecken kregen we luchthavenassistentie, die ik voor mama en mezelf had aangevraagd. Nadat mama angstvallig haar handtas overhandigde, kregen we vervolgens groen licht aan de securitycontrole. ‘Awel merci.’ Samen met een handjevol passagiers, elk met hun zichtbare of onzichtbare beperking, werden we op een karretje naar de terminal gereden. De wandelstok en witte stok waren onze figuurlijke clubs. 

We mochten als eerste het vliegtuig op. IJdel als ze is, werd de lippenstift bovengehaald. ‘Als we crashen, dan zal het proper zijn.’ Als verrassing haalde ik onze mondmaskers boven. ‘Awel merci.’

Na een vlucht zonder turbulentie – ook niet bij moeder – én een zachte landing in Boedapest, stond een luchthavenassistent op ons te wachten. Moeder in de rolstoel en ik aan de arm. Elk nadeel heeft zijn voordeel. ‘Geeft die jongen eens wat drinkgeld.’ ‘Ja ma.’

Aan de uitgang werden we opgewacht door Krisztina, een Hongaarse ex-collega. In lang vervlogen tijden leerden we elkaar kennen toen we beiden werkten als croupier in het casino op een cruiseschip van Carnival Cruise Lines. Het sporadisch contact bleef. Ze had eerder spontaan voorgesteld om ons te brengen naar mama’s kleindochter, een rit van 93km vanaf de luchthaven. De Brugse zotten nam ze gewillig en met de glimlach in ontvangst. Ik heb het over het bier. 

Na een bewogen reis arriveerden we in het Hongaarse paradijs van Natasja en Stuart waar het motto ‘niets moet, alles mag’ als muziek in de oren klonk. Horizontaliteiten en tamzakkerij stonden op ons program. Hoera.

Wat niet op mijn planning stond, was dat ik opeens gekatapulteerd werd in de tijd, naar de beroemde bedscène in La Grande Vadrouille (1966). Ons bed daverde nét niet door mama’s oorverdovende gegrol en geronk. Ik paste de fluittechniek à la Funès toe. Een duw. Een welgemeende: ‘verdomme zeg!’ ‘Awel merci.’ 

Ons verblijf werd opgefleurd en gekleurd door Suki, Inca, Wolfie en Moody, de hondenbrigade en Fatso, Ninja en Taska, de kattencavalerie. Een troep ganzen waaronder Rambo en Michael. ‘I am Spartacus’ is de ram, die volgens mijn nicht, gewapend met bezem, opstandig uit zijn kot kan komen. Charlie is de méér dan driemaal kraaiende haan, ook een luisterrijk figuur. Dat was een bonte beestenboel die je absoluut niet verveelde. 

Na een kort maar deugddoend verblijf bij N&S, waar we mochten proeven van hun gezamenlijk geluk, was het tijd om met de trein naar Boedapest terug te keren. N. vergezelde ons om er een nachtje in ons hotel te verblijven. Het plan was om de volgende dag naar een van Boedapests talrijke thermische badhuizen te gaan. 

‘Ik weet nog niet of ik daarnaartoe zal gaan.’ Ik moest me eventjes terugtrekken in de badkamer, om een schreeuw te onderdrukken. ‘Ik zal dat badpak nú nog niet aandoen.’ Na veel vijven en extreem veel zessen, hadden we alle drie onze badoutfit onder onze kledij aan. De bende van de vooruitziende wijven, dat zijn wij. 

Er werd geopteerd voor het Gellért badhuis gelegen in het schitterende art-nouveau Hotel Gellért. Een aanrader als jullie eens passeren. ‘Ik doe die slippers niet aan hoor.’ ‘Wil je morgen in de Hongaarse gazet staan, met als kop: Belgische koppige vrouw glijdt uit, valt over haar dochter én kleindochter en breekt haar heup. Kan niet terug naar haar thuisland?’ ‘Awel merci.’ 

Het duurde een tijdje eer mama geacclimatiseerd was, want angst had het bijna voor haar verbrod. Diegenen die spotten om andermans angsten, ze wegwuiven, hoe futiel die ook mogen lijken: ik wens jullie een maand constipatie toe zonder enige mogelijkheid op een laxeermiddel. Dit terzijde. 

 De 36° en het tweede bad met water van 38° deden enorm deugd aan ons lijf. De geest kwam tot rust. Stilte in mijn hoofd. Het glas is halfvol mineralen. Na het badhuisbezoek arriveerden we met grote honger terug in de stad. Moeder verorberde met smaak haar allereerste McDonalds menu ooit. Feest! 

Na het boertje laten maakten we aanstalten om afscheid te nemen van N. Haar rustige thuishaven riep, alsook haar schattige Schot. De oma werd geknuffeld en weg was ze. Terug naar haar cocon van vrijheid.

We profiteerden van de luxe in het hotel zoals het twee verwende nesten betaamt. Ik sleur mijn moeder er maar bij. ‘De volgende keer maak ik zelf mijn valies, want ik heb veel te weinig kleren mee.’ ‘Je kan hier niet in slunsen rondlopen met al dat schoon volk.’ De vertrouwde lippenstift in de hand. ‘Ja ma.’ Tijd om richting gym te vluchten en er 10km op de loopband af te malen. Dat van die gezonde geest.

Krisztina kwam op de koffie in het hotel.  Het blijft een vreemd gegeven dat je bij sommige mensen, wanneer het jaren geleden is dat je elkaar zag, de draad weer oppikt alsof het gisteren was. Het was geleden van de marathon van Boedapest in 2015. Och gottekes, ze moet nog eens vermelden dat ze in Boedapest óók een marathon heeft gelopen. Et alors? Het klikte met mijn moeder en ik had babbel- en vertaalwater binnen. ’t Is een proper madamtje.’  Mama pinkte alweer een traan weg bij het afscheid. Ik heb een spaarkaart. 

Als afsluiter van onze zesdaagse had ik twee tickets voor een boottocht op de Donau. De hotelconcierge besliste prompt om moeder persoonlijk te begeleiden naar de kade. Held. Wist ik veel dat de laatste boot van de vier aan elkaar palende boten de onze was. Het zweet droop langs mijn rug, toen ik haar zag sukkelen bij het in- en uitstappen van elke boot. Tijdens haar ai’s en oei’s bleef die moeder van me er zich van vergewissen dat ik niet met mijn klieken en klakken ergens terecht kwam waar ik niet hoorde. Moeders. Sommigen verdienen een standbeeld voor volharding alsook hun onvoorwaardelijke soms ambetante liefde. Ooh schande! Juist, de uwe is perfect. 

Na de liefde kwam de moordzuchtige blik in haar ogen terug. ‘Ik zien gekrakt!’ ‘Ja ma.’ ‘Gaat dat hier nog lang duren, voor we vertrekken?’ Nadat ze bekomen was, genoot ze en gaf ze haar ogen de kost. We kregen een glas en klonken op onze laatste avond in Boedapest. ‘Is het nog ver?’ ‘Nog vier uur.’

We hadden het geluk dat onze terugvlucht pas om 18u was, zo konden we ons vertrouwde trage ochtendtempo en ritueel behouden. ‘Ready, Freddy?’ Zo noemde ik haar vaak, terwijl ik ongeduldig stond te wachten, terwijl ze alweer die lippenstift aan het bezigen was, of me bijna vergiftigde met haarlak. Mijn make-up lag thuis te versterven. De rekening werd vereffend. De taxi was besteld. Een koffer vol mooie herinneringen. ‘Awel merci.’

In de luchthaven van Boedapest werden we terug begeleid naar de terminal. Moeder zat in de startblokken van haar rolstoel. Had Scotty er rondgelopen, dan had ze die zeker bij zijn lurven gepakt: ‘Beam me up!’ Brussels Airlines heeft gelukkig in 2006 het logo aangepast en er een extra bolletje bijgezet zodat ze er 14 hebben. We zaten op rij 13. ‘Is er nog iets dat je kwijt wil, mama?’ ‘Awel merci.’ 

Touchdown. ‘Ik vind het triestig dat niemand in de handen klapt als appreciatie voor de zachte landing.’ ‘Awel merci.’ Wij mochten niet eerder van boord voordat de luchthavenassistent arriveerde. Terwijl we samen met de stewardessen en de kapitein wachtten zei mama: ‘Dankjewel voor de veilige landing’ kijkend naar zijn proper en strak uniform. Ze vaagde de vanzelfsprekendheid met haar old school zijn weg. ‘Met plezier’, sprak hij haar met een dankbare glimlach toe. 

Het ritje op ons welvertrouwde karretje richting exit deed moeder huiveren van schrik. Het meisje deed zich voor als een Formule1 piloot opgejaagd door de man naast haar, die tot vervelens toe haar probeerde te imponeren en veroveren met mooie woorden en naar mijn inzien dikke zever. Ik had hem al lang een duw gegeven in een bocht. ‘Awel merci.’

De taximan stond ons zoals afgesproken, aan de Java koffiestand op te wachten. Koffie was het laatste wat moeder nodig had, na haar race door de terminal. We begonnen aan de laatste rechte lijn richting eindmeet. Huisje weltevree. Spiegeltje en lippenstift werden bovengehaald. 

Er waren geen medailles te verdienen bij ons avontuur. Enkel een mooie herinnering van onschatbare waarde.  Nooit gedacht dat in mijn levensdraaiboek deze reis zou voorkomen. Voor mama was het een overwinning – zo voel ik het aan – na heel wat tegenslagen en shit waarmee ze gratis en voor niks te kampen kreeg. Ze was wreed content. 

We hielden elkaar stevig vast bij het afscheid. Veel woorden hadden we niet nodig. Enkel: ‘Als ’t niet geeft mama, dan duik ik nu onder voor een weekje.’ Haar schaterlach sprak boekdelen. 

Awel merci. 

Vaderlief.

’t Is een eeste klas charmeur de la Belgiek!
Da was moeder eur zwierige repliek.
Met ‘t viengertje in de lucht,
’t was gelik u klucht.

Je rolde met zien ogen
en bleef vooral onbewogen.
Wils droenktie van zien pientje
en pakte tons zien boormasjientje.

’t Is geweten datie kostte sjotten
en nie allene vo te ravotten.
’t Zat em in de kieten
en je was nie schuw, vo derin te bieten.

Je makte goals,
ze plakten in de netten.
Af en toe stoentie zelfs uki
in de gazetten.

’t Was ip den bilk Van Edgard De Smedt,
in twidde klasse wast dolle pret.
Van eeste klasse mocht ie ook proeven…
met in zijn nekke de concurrentie, ook met under troeven.

Cercle was met de lepel meegegeven.
Mo da viel nogal vele, uki tegen.
Vo da we ‘t wisten keken we te diepe in ’t sop,
en an we ’s anderendaags den erteklop.

’t Is spietig da voadertje
’t nie mè mag beleven.
De groene kommen van diepe
en ze zien were herrezen.

Den Here ist wies,
tis gin kattepies.
Oe da ze goan én bluven sjotten,
en tons nog uki…
die blauwe afmotten!

Ik meugen da zeggen, want tis moar u spel.
Oet junder moar in
en tis ol wel!

Verwondering.
Bewondering.
Vertelle het voort,
dat van die Vereniging
ziewe ’t akkoord?

Dichten en rijmen
over voetballerij.
Helpt met ‘t sussen
van verdriet en averij.
Papa, ik wil je zo graag,
nog eens dicht bij mij.

Philemon Desmaele
23/11/1936 – 28/01/2020

Veerkracht

Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , ,

29 januari 2021

‘Ja, mevrouw’, zei hij kordaat. ‘We zullen u moeten opereren’. ‘Ja maar, dat gaat niet, want ik heb een kat en ik ben alleen. En ook, ik ben aan het trainen voor een marathon’, raaskalde ik. ‘Nou, die marathon zal u eventjes mogen vergeten. U hebt nog een tiental minuten om wat telefoontjes te plegen en dan komen we u halen,’ zei meneer de chirurg van de interne organen. Weg was hij. Mijn hersenen draaiden op volle toeren. Daar lag ik dan in een ruimte op de spoedafdeling met helse pijnen in de buik. Ja, u leest het goed: Hels! Drama! Lees verder en stop met dat rologen. 

Ik werd naar het operatiekwartier gereden. Grey’s Anatomy was nog nooit zo dichtbij. ‘Wat is dit hier?’ vroeg iemand. Mijn witte stok lag ietwat verdoken naast me op het bed. Ik griste die uit zijn handen, vouwde die fluks op als een geroutineerde plooister en overhandigde deze vervolgens aan de sprakeloze verpleger. Vestiaire bon?

Net vóór de operatie plaatste meneer de anesthesist een katheter in mijn rug, die een oerkreet teweegbracht waardoor ik de bloeddoorstroming in de verpleegsters arm dichtkneep. Ik werd neergelegd gelijk Jezus op zijn kruis. Het aftellen kon beginnen. 

‘Ja, mevrouw, het was best indrukwekkend’, sprak meneer de chirurg me toe. Hij had er precies van genoten. Ik drukte gepikeerd op de pijnpomp. Ik had blijkbaar een volvulus of darmtorsie. In mensentaal: mijn dikke darm lag in de knoop en stond op springen. Aldus heeft hij een stuk van 40cm dikke darm weggesneden alsook het probleem. Opgelost. Ik zal nu blijkbaar enkel en alleen nog met mezelf in de knoop kunnen liggen. Oef. 

Door corona had ik een kamer voor mij alleen en mocht ik geen bezoek ontvangen. Dit ervaarde ik als positief. Ik ben liever alleen met mijn zeer en demonen. Dit was natuurlijk buiten de verpleging gerekend. Ik maakte telkenmale een kruis met mijn wijsvingers om dé verpleegster te weren, die alweer met een coronatest gewapend was. Helaas, ingepakt alsof ze net van de maan kwam, pookte ze erop los. Meneer de kinesist kwam elke dag. Bij mijn eerste wandeling moest ik na tien stappen de handdoek in de ring gooien. Gek, wetende dat ik de week voordien als een dartele hinde 12km liep. De derde nacht kreeg ik een paniekaanval en hield de verpleegster mijn hand vast, zodat mijn snel kloppend hart niet in overdrive ging. Vier uur, een ideaal tijdstip om mijn vriendin in San-Francisco op te bellen, die me op haar beurt wat suste en kalmeerde. Mind over matter. Een mooie mantra. 

‘Ja, mevrouw, bent u al naar het toilet kunnen gaan?’ Elke dag opnieuw. Tot dé dag dat ik hem met de armen en gebalde vuisten in de lucht, toeriep: ‘BREAKING!’ Meneer de chirurg van de interne organen, man van weinig woorden en niet te veel emo als het eventjes kan, kon een schaterlach niet onderdrukken. Een topmoment dat in mijn geheugen gegrift staat, als hét belangrijkste kakje voor een verder goedwerkend darmstelsel. Ja, kakje! Vloeken en ketteren, fuck, shit, kut.  ’t Is schering en inslag in de huidige tijdsgeest en ik zou niet mogen schrijven, dat ik dankbaar ben voor mijn kakje? Ik denk het niet. 

‘Ja, mevrouw, u mag na het weekend naar huis. Het ziet er allemaal goed uit en de revalidatie verloopt vlot, nog vragen?’ ‘Euh, wanneer mag ik terug hardlopen?’ Dat ik nog wat geduld moest hebben en vooral luisteren naar het lichaam en de darmen. Na een tiendaags ziekenhuisverblijf werd ik ontslagen en kon ik thuis eindelijk volledig tot rust komen, weliswaar met het af en toe opnieuw afspelen in mijn hoofd van dat acuut voorval. Het verwerken kon beginnen. 

1 maart 2021

‘Ja, mevrouw, legt u zich maar’. Een trage sit-up was voor meneer de chirurg van interne organen dé manier, om te controleren en voelen of het min of meer goed zat aan de buikwand. 

‘Ja, mevrouw, het is in orde. Ik hoef u verder niet meer opnieuw te zien. Nog vragen?’ ‘Euh, wanneer mag ik weer beginnen hardlopen?’ ‘Vanaf, NU!’ en hij opende de deur van zijn kabinet. Zoef. 

8 maart 2021

Vol goede moed de loopdraad terug opgepikt en 5km slaksgewijs gelopen. Check.

5 september 2021

Dagelijkse dartelheid is natuurlijk een utopie, want de combinatie zware benen, verstrooidheid, slechtziendheid en dát putje in het asfalt zorgden voor een puike duikval met een perfecte timing. Ik viel voor de voeten van een pauze nemende coureur. Ik zag geen vlinders, maar sterretjes. Na wat gebrabbel en: ‘waar ben ik?’ – korrel zout is hier aangewezen- krabbelde ik recht, scande mijn lichaam en gaf mezelf groen licht. Ik zou thuis mijn wonden likken. Mijn loopvriendin trok me mee op sleeptouw, vooral mentaal. Ze was mijn Abdi. 

Deze valpartij leidde tot het nadenken over veerkracht. De geest en het lichaam. Loslaten. Het zoeken naar dat evenwicht. Het is geen vanzelfsprekendheid. Het vergt moed en energie, die je soms moet samenschrapen. Leg het maar eens uit. Niet iedereen wil het horen. Vooral niet teveel. Stempels worden snel gegeven. ’t Zit tussen de oren. Zeer zeker dat.

Maar jullie hebben natuurlijk allemaal een Abdi, toch? 

1 jaar later.

Tags

, , , , , , , ,

‘Wil je nog eens gedag zeggen aan mijn man?’ vroeg mama veelbetekenend aan haar favoriete fashionista alsook mijn chauffeur voor de terugrit naar huis. Ze aarzelde niet en ging moedig naar hem toe en gaf hem een zachte blik zonder woorden. Een klein, groot gebaar.

Zelf streek ik nog eens door zijn grijze haren, gaf hem een zoen en fluisterde iets liefs in zijn oor. Dat was het. Ik verliet het ouderlijk huis, waar moeder en zus verder waakten over vaderlief. 

Hét telefoontje kwam er de volgende ochtend vroeg, toen de vogels nog sliepen. Met een krakende stem deelde mijn zus het droevige nieuws mee, dat vader ’s nachts overleden was. Zijn lijdensweg was eindelijk ten einde. ‘Ik kom’. Geen tranen, wel een kleine hartverschuiving en rillingen over het gehele lijf. Op weg naar de job pikte D. me terug op, om me af te zetten bij mijn ouders. ‘Een kleine moeite’, benoemt ze het steevast, vriendin die ze is. Edoch, niets is vanzelfsprekend. 

Ik verbeet de priemende tranen. Ik wou het niet. Het mocht niet. Daar lag hij, koud en grauw. Onwezenlijk. In een ideale wereld gaan vaders niet dood en moeders zeker niet. Ik streek zachtjes met de buitenkant van mijn hand over zijn wang. ‘Je mag hem niet aanraken!’, lap. Foert. 

Papa werd zeer respectvol door meneer de begrafenisondernemer en zijn rechterhand behandeld, terwijl mijn nichtje en ik stoïcijns toekeken. De rits van de lijkzak werd gesloten, ons hart gelukkig niet. De lijkwagen reed weg en vaderlief liet ons met verstomming, stilte en groot verdriet achter, voor moeder een niet meer te vullen leegte. Dit is een scenario zoals enkel De Dood kan schrijven. Kieskeurig is hij nog steeds niet, de rotzak. 

De autorit naar de begrafenisondernemer was bij momenten hilarisch. Ooh, schande! Ik denk dat het geleden was van toen de dieren nog spraken, dat we nog eens gezamenlijk in een auto zaten, moeder en haar kroost. Vader was de ontbrekende link. De bestemming was minder zonnig en zuiders dan toentertijd en we zaten ook krapper en vooral strakker in onze broek. Een venijnig scheetje doen ontsnappen had verstikkend kunnen zijn. Ik zweer het u. 

Vóór de begrafenis was er het ingetogen moment aan moeders tafel gezeten, waar wij het glas hieven en tikten om de samenhorigheid te markeren. ‘t Was hartverwarmend. Daarna kwam het schateren met bijhorende tranen, bij het vertellen van anekdotes waarin vader een hoofdrol speelde. Mijn koninkrijk voor nog zo’n moment. 

Nadien verliep alles alsof we op een rollercoaster zaten, met een overvolle maag. Moeder op kop. Je waant je in een roes. De automatische piloot slaat aan. Het rationeel denken verliest zijn teugels en slaat op hol, wat vervolgens chaos en extra geheel onnodig verdriet teweegbrengt. Naar het schijnt gebeurt dit bij de beste families. Kijk maar eens naar “Thuis”. 

De asverstrooiing gebeurde op een grasperk. Een voetbalveld ware overdreven geweest, desalniettemin speelde het voetbal een grote rol in zijn en ons leven. Groen werden we ervan. 

Het is zeer confronterend om je vader als een gevuld wit vierkant te zien verdwijnen in het niets, als de gespoten lijn van de ref op de grasmat. De vergankelijkheid hakt er eventjes in. 

‘Hij is er op tijd vanonder gemuisd’, wist moeder me onlangs in een onbewaakt moment te vertellen. Inderdaad, het coronavirus heeft hem niet te pakken gekregen. Moeders wil was wet. Hij bleef thuis onder haar ogenschijnlijk sterke vleugels en ze zorgde voor hem met een gedrevenheid waarbij het olielampje van Florence Nightingale snel zou uitdoven. Aangezien ze mijn moeder is, mag ik haar ophemelen zo vaak en zo veel ik wil. Oké?  

Het afscheid nemen van papa ging me beter af dan het ondergaan en verwerken van de naweeën van zijn dood. De rompslomp die erbij kwam, de onenigheid door slechte communicatie, de grote ego’s en zwart-wit denkers, de naïviteit, verdoken frustraties. Vingertjes wijzen. De ware aard. Het gebeurt thuis bij de beste. Kijk maar eens naar “Familie”.

Als je het geluk hebt om dé knop in je hoofd te hebben, die je gedachten en gepieker stopzet, dan hoor je bij de gelukkigen. Mij werd alleszins die knop niet toebedeeld, toen ze rondgingen met het assortiment. Kak, zeg ik u. Kak. Het is soms een werk van lange duur en gezaag en rondjes draaien in mijn hoofd. Dronken word ik ervan. Nog een geluk dat koning Alcohol mijn vriend niet meer is. Ontwaken met een bejaarde viervoetige kater, die stinkt uit zijn bek, is meer dan kater genoeg. 

Corona heeft ons enigszins geholpen: elk in zijn kot en mekaar wat ontzien, veiligheid boven alles. Gezond verstand. Bezinnen en hier en daar opnieuw beginnen. Mama onderging Moederdag, Vaderdag, een net niet gehaald Ivoren huwelijk, haar eerste verjaardag sinds mensenheugenis zonder de wederhelft, papa’s verjaardag, de kroost een jaartje ouder. Wijzer valt nog te bezien. Kerst zonder feest en foute cadeautjes. Goedkoop was het wel. Geen drukte van jewelste en de ergernissen van elk jaar. De kliekjes, de ditjes en datjes en de achterkleinschatjes. Een vreemde kerst zondermeer. 

Nu is er weer een eerste keer, de laatste in de rij van verjaardagen van een bewogen jaar voor elk van ons. Het is nu de verjaardag van de dag dat hij ons verliet, ons deed wankelen, beven en de moed opgeven, om dan weer recht te krabbelen en verder te gaan, om dan hopelijk in de nabije toekomst als de wind en het gemoed goed zitten, aan moeders tafel gezeten, het glas te heffen en te tikken om de hernieuwde samenhorigheid te vieren. 

Want: 

‘Tussen wat wordt gezegd en niet bedoeld en wat wordt bedoeld en niet gezegd gaat de meeste liefde verloren.’ 

Kahlil Gibran. 

’t Gouden kalf

Tags

, , , , , , , , , , ,

‘Hoe is dit nu in godsnaam mogelijk!’ schreeuwde hij uit volle borst. In kolere kieperde hij de meegesleurde stenen op de grond, waardoor deze in gruzelementen braken. Het opstijgend stof belemmerde hun zicht. Consternatie alom.

’t Was Mozes, die zonder stofbril en zonder de allure van een trailrunner, geladen gelijk een ezel, al zigzaggend van de berg was afgedaald. Twee stenen tafels waarop tien boodschappen van algemeen nut gekerfd stonden, zouden zijn medemens het juiste pad moeten doen bewandelen. Helaas, Mozes was er aan voor zijn moeite, want aan de voet van de berg was er geen kat te bespeuren. Zijn zogenaamde achterban was verderop een klomp goud aan het eren. ’t Kalf was al verdronken.

Geld, in al zijn vormen, is zowel hemel als hel. Het kan het goede in de mens naar boven brengen, alsook het slechte. De gulden middenweg daarin zoeken en vinden, heeft vooral met wijsheid en inzicht te maken én, een halfvol glas. De hitte heeft klaarblijkelijk mijn hersenen nog niet hélemaal verpieterd, aangezien ik dit zomaar uit mijn slappe pols tokkel.

Rijk ben ik niet. Wat is daar de oorzaak van?

Ik heb de traditie van het sparen niet altijd benut, omdat ik bezig was met leven, ontdekken en het avontuur opzoeken. Ik had geen tijd. Het werd me nochtans vaak – tot vervelens toe – in mijn soep gedaan, dat ik moet sparen tot mijn handen kraken, zogenaamd om geluk te vergaren. Geluk in de vorm van een goed gespekt spaarboekje, zodat ik later op ’t gemak in een rusthuis kan vertoeven, tenzij de dood daar natuurlijk een stokje voor steekt. Geen gedoe en rompslomp voor familie en naasten.

Aan een geldreserve, die me in nood zou moeten behoeden voor hyperventilatie en angsten, had ik geen boodschap. Ik deed het op mijn manier. Ik blonk uit in het watertrappelen, alsof het een Olympische discipline was. Ik streefde naar een gouden plak weliswaar zonder supporters.

Om te winnen moet je ook kunnen falen. Het hoofd bieden kan dusdanig vermoeiend zijn, dat er soms niets anders op zit dan je over te geven. Vervolgens vergt het moed om met gekrulde tenen hulp te vragen. Aangezien ik een verwend nest ben van bij geboorte, prijs ik me gelukkig dat ik in de loop der jaren een helpende hand werd toegereikt. Soms kwam deze vanuit onverwachte hoek. Ik buig nog steeds nederig en dankbaar het hoofd, als ik het tenminste niet vergeet. Het geheugen werkt op mysterieuze wijze, waar geen handleiding voor bestaat, want je vergeet sowieso waar deze ligt.

Zelfkennis komt met de jaren, behalve voor hopeloze gevallen. Geen enkele voorgehouden spiegel kan hen doen inzien, dat iets of iemand anders is en dat dit niet erg is. Ze bestaan. Je kan ook te veel in de spiegel kijken, waardoor je alles en iedereen in vraag stelt en zo gek als een achterdeur wordt. Ze bestaan. Het is een zootje, zoveel is zeker.

Afgunst en gulzigheid gaan vaak samen hand in hand. Twee van de zeven hoofdzonden. Ze staan vermeld in de Humo. Ik ben precies op dreef, subiet word ik nog gelovig. Ik gun anderen hun rijkdom, tenzij ze beginnen te mekkeren, dat hun glas halfleeg is, dat ze de kleine dingen, die ook iets groots teweeg kunnen brengen, compleet negeren. Een klap voor hun kop, dát. Zie, dat deed deugd.

Soms kan ik mezelf verliezen in dromerij en fantasie wanneer ik andermans beetje meer zie. Een vluchtige flits: ik wil dat ook! Geef toe, wie wil er nu geen ecologische zwemvijver tijdens een hittegolf, toch?

Arm ben ik niet. Wat is daar de oorzaak van?

Mijn afgelegd levensparcours zal daar allicht mee te maken hebben. Ik durf te stellen dat ik een mooie koffer vol wijsheid en inzicht heb verzameld, en ik ben nóg maar halfweg. Ik hoef enkel maar te grabbelen en ze benutten. Dit gaat me precies beter af dan het vereren van een blinkend kalf. Zo.

K.

Tags

, , , , , , , , , ,

Onlangs is ze 52 geworden. Het was nutteloos om haar een verjaardagkaartje te sturen. Ze is dood. Ze was amper 47 toen ze er op deze aardkloot al genoeg van had. De aanstormende trein maakte er voor haar een eind aan en sleurde haar getormenteerde hart en ziel mee naar hopelijk wat rustiger oorden. Baf!

Ik herinner het me nog alsof het gisteren was. Ik was aan het uitwaaien op het strand van Jurmala, een kustplaatsje dichtbij Riga, waar ik de dag voordien de marathon had uitgelopen – in alweer een toptijd, dat spreekt voor zich – toen ik het bericht kreeg met de vraag of ik het al gehoord had van K. Ik werd bevangen door koude rillingen. Mijn adem stokte. Tranen.

Thuisgekomen zocht ik als een bezetene in mijn papieren telefoongegevens naar het laatste gesprek met K. Blijkbaar duurde onze babbel 12 minuten. Het hadden er meer moeten zijn en vaker ook, dat vooral. Schuldgevoel en wat als? Ik hoopte enigszins dat de analyse in mijn hoofd van onze laatste babbel een oplossing zou geven op de vraag: waarom? Ik wist wel beter. Zo werkt het niet. Men kan gissen en speculeren, denkbeeldige puzzelstukjes van haar leven bijeen leggen, maar dat ene stukje zal altijd ontbreken. Dát moment.

Ze was uniek. Ze deed me schateren, wat al een unicum op zich is. Ik ben jullie voor, ha! Ze kon vurig argumenteren en discussiëren dat het een lieve lust was. De verkeerde kaart gooien tijdens een partijtje manillen. Dan zakt je broek af.

Ze was geen knuffelaar, maar soms kreeg ik er een. Ze deed het op haar manier.

We stuurden elkaar sms’jes tijdens het gapen naar Mooi en meedogenloos in de trant van: Brooke is alweer aan het janken en Ridge is een “uul”. Stephanie daarentegen vond ze de max met haar heksenstreken. Voor de onwetenden: momenteel na middernacht te bekijken op Vitaya. Het is nog steeds dezelfde soep.

Haar hart was naast fragiel als porselein ook groen. Eens reden we samen naar het voetbalstadion van Anderlecht, om er Cercle Brugge te zien zegevieren. Door het vele gekwebbel misten we onze afslag, moesten we in het Zoniënwoud de weg vragen, geraakten we bijna zonder benzine, om dan uiteindelijk na veel omwegen en gefoeter terug op de snelweg te geraken, weliswaar richting Brugge. De sport radiozender werd een tandje bijgezet. Ik haalde net het begin van sportweekend op tv.

De uitslag van Cercle moet ik u helaas verschuldigd blijven. Het geheugen laat mij eventjes in de steek. Grijns er maar op los.

Haar hart zat op de juiste plaats, maar werd menigmaal mismeesterd door foute mannen. Kort door de bocht? Begin een mars van hot naar her om te betogen tegen zoveel onrecht. Het is trendy.

Het gebroken hart in combinatie met andere factoren, waaronder een oververmoeide geest, heeft haar een kortsluiting bezorgd. Zo probeer ik het mezelf uit te leggen. Een verdomde kortsluiting. Ik aanvaard het en kan het plaatsen, maar op gezette tijden overvalt het me weer. Het gemis. Zelfdoding laat veelal verdriet na. Onbegrip en kwaadheid. Hypocrisie ook. Je bent dood en je wordt plotsklaps de hemel in geprezen alsof je een heilige was, toch?

Het gebeurt in een onbewaakt moment waarop je iemand in de steek laat of hebt gelaten, met een voor jezelf aannemelijk excuus. Gebrek aan tijd. Het is de maatschappij. Geen geduld. Alsmaar dat zelfde plaatje. Luisteren is voor psychologen. Zo, het is eruit. Weer een frustratie minder, dank u.

Ik was op zoek naar haar graf. Ik liep zoveel rondjes rond die kerk, dat ik er duizelig van werd. Een café vinden gaat me beter af. Ik vond haar maar niet. Na het bellen van de hulplijn bleek dat ze op het nieuwe kerkhof ligt. Mijn oriëntatie is een van mijn minpunten. Ik ben zeker dat K. er de humor van zou inzien.

Het is bij die ene keer gebleven. Ik hoef haar niet op te zoeken. Ze blijft sowieso in mijn gedachten. Ik schrijf en stuur nu een passend kaartje naar de mama en op het juiste moment, in de zon, heffen we samen het glas op K.

 

Afbeelding

Wilson

Tags

, , , , , , , , , , ,

Hij sabbelde aan mijn oor dat het een lieve lust was. Het sappige gespin dat eruit voortvloeide had een ontspannend effect op mij. Zijn pootjes met vlijmscherpe, sikkelvormige nageltjes baanden zich onbezonnen een weg door mijn haarkrollen, om die dan af en aan in mijn hoofdhuid vast te klauwen. Zelfkattijding.

Ten langen lesten verlegde hij zijn focus naar mijn huis, hebben en houwen. De opborrelende energie in zijn tijgerlijfje kreeg de bovenhand. Ik was min af. Geen dagelijkse zoogpartijen meer. Oef, want  dat zuigende en kluivende gelebber kwam mijn lel niet ten goede. Er zat bijna geen rek meer op. Een Witte Masai tot daaraan toe.

Herviel hij toch eens in zijn vertrouwde sabbelgewoonte, dan was hij vaak al doodop van rond te sputteren en kattenkwaad uit te halen en diende mijn oor slechts als slaapmuts.

Er arriveerde onverwacht een vriendje voor Wilson. Ik ging overstag door het dramatische verhaal: ‘Kattin sterft door aanrijding van auto en laat kitten na zonder warm nest.’ Pas weken later werd de wit-zwarte haarbal vrolijk bengelend voor de neus van de nietsvermoedende mijnheer de huisbaas gehouden, zodat hij enkel kon buigen dan wel barsten. ‘Ik wil het noch horen, noch zien!’, zei hij met lichte toorn, terwijl hij katertje nummer twee aaide. Het beest hield wijselijk zijn bek, want hij groeide op tot een huilebalk van een trauma-kat. Hoera.

Ze groeiden als kool, net als hun drollen. Ongelofelijk dat hun lijf zulke onwelriekende sigaren kon produceren. Als toemaatje vind je her en der wat kots en of een haarbal zwemmend in eigen nat, om dan net niet in katzwijm te vallen. Kattenpret.  Op de keukentafel werd bij beiden hun mannelijke flinkheid alsook hun balletjes weggehaald. Het was er de geknipte tijd voor. No balls, veel glorie.

Aangezien ik Wilson met mijn oor had grootgebracht, hadden we een innige band. Hier werd niet in geknipt. Zelfs Simon, meneer de andere kat, wist wat zijn plaats was. Zilver. De onverhoopte liefde dat ik voelde voor deze gebastaardeerde kater was diep. Zo diep. Toe, rol maar met de ogen of ga de hond eten geven.

Hij was het, die op tafel sprong en me begroette, toen ik thuis kwam van de job. Hij stelde zich steevast recht,  leunend met zijn voorpoten tegen mijn borst, bedelend om hem op te pakken, zodat hij vervolgens op mijn schouders kon kruipen om dan in mijn nek te liggen, als een nep-bontkraag. Hij ronkte in mijn oor en doopte er zijn natte, kouwe neus in. Kon hij praten, dan zou hij zondermeer fluisteren: ‘Sheeeee-ba!’

Hij, met zijn tijgerjasje met witte kraag en bijhorende witte sokken, was de verstrooiing die me mijn zorgen eventjes deed vergeten en mijn glimlach deed verbreden. Ai.

Hij was het, die mijn huidhonger stilde, wanneer we lepeltje-lepeltje lagen en ik zijn zeemvellenbuik omarmde en beroerde om vervolgens onbezonnen weg te doezelen. Wakker worden met een kater was nog nooit zo zalig, het stinken uit zijn bek niet meegerekend.

Plotsklaps werd hij uit mijn leven gerukt. Na dertien jaar begaf zijn hart het, hoewel hij nog wat jaren en levens tegoed had. Zo vond ook mevrouw de dierenarts die hem enkele maanden voordien had verlost van stenen in de plasbuis en blaas. Hij kreeg een ferme rits op zijn buik als herinnering.

Nu lag hij op sterven en ik moest hem uit zijn lijden verlossen. Ik knikte en de dierenarts voegde hét toe in zijn infuus. Luttele seconden en weg was hij. Mijn hart kreeg een steek. En nog.

Wilson dankte zijn naam aan de film Cast Away. – voor de onwetenden: Google is uw vriend. Geen volleybal die mij soelaas bracht, op het denkbeeldige verlaten eiland waarop ik me, weliswaar uit vrije wil, terugtrek en vertoef, maar een acht kilo kat. Zo was dat.

Simon, meneer de andere kat, neemt gretig de spotlight van Wilson over en ik zeg niet nee. Hoezee.

 

IMG_5500

Lees verder

Duidelijkheid schaft rust.

Tags

, , , , , , , , , , , ,

Na wat gezwind klaviergetokkel deelde de ouwe rot van de belastingdienst mij mee dat ik vijftien euro zou terugkrijgen. 2017 bleek een vruchtbaar aanslagjaar. Ik huilde net niet van blijdschap. Als afsluiter wist hij me ook nog te vertellen dat, gezien mijn situatie ik waarschijnlijk in de toekomst niet meer zou hoeven te betalen. Ik interpreteerde dat als nooit meer. Blinden en slechtzienden: High Five!

Die toekomst was er sneller dan dat de vijftien euro op mijn rekening gestort werd. Het was niet de vertrouwde, goedgevulde, bruine envelop met doorkijkvenstertje die de brievenbus deed klepperen en je zoals ieder jaar een zucht van jewelste deed slaken, maar een witte, dunnere versie met hetzelfde effect.

Aldus lag De Federale Overheidsdienst van Financiën onder de eivormige steen uit Bali en poerde niet. Het blijft iets dreigends en dictatoriaals. Mijn wil is wet, ha! Vandaar dat ik de gesloten enveloppe dat metaforische plaatsje gaf tot ik de tijd rijp achtte om het bij de keel te grijpen, los te schudden en open te rijten. Nog een geluk dat mijn tactiek niet degeneratief is.

Na enkele dagen haalde ik vier pagina’s uit de witte envelop tevoorschijn. Ze oogden minder aantrekkelijk dan een konijn. Ik ging er snel doorheen, want het lettertype was mij niet genegen. “Louter informatief en papierverspilling” maakte ik mezelf eventjes wijs.

Het onderbewustzijn prikkelde gelukkig mijn nieuwsgierigheid en de grijze cellen. Het blind vertrouwen in de belastingman met zijn rooskleurige toekomstvoorspelling begon ik in vraag te stellen. Het werd dusdanig tijd om dat zootje papier eens deftig onder de loep te houden.

Ik scrolde met mijn ogen naar beneden over de codes en dansende cijfers, geen solden maar saldo’s, tot ik het omkaderde bedrag van vijf cijfers en een komma zag. U mag raden waar de komma staat. Links ervan stond: TE BETALEN. De loep maakte het kwestieuze bedrag des te groter, waardoor ik me een hoedje schrok alsof ik door een sleutelgat piepte en iets vreselijks zag en achteroverviel. Hou jullie peep-verbeelding eventjes onder controle.

Het was een tijdje geleden dat ik dat onbehaaglijke, drukkende gevoel op de borstkas ervaren had. Acht kilo kat verdraag ik daarentegen wonderwel. IJsberen rond de tafel maakte het alleen maar erger. Ik draaide als een tol. Ja, ja, rol maar met de ogen. Teveel drama, duurt het té lang, teveel details? Zin om diagonaal te lezen?

Ik las de twee woorden: voorlopige berekening, die schuin over de pagina prijkten. Ze gaven me een beetje moed. Er zullen rekenfouten zijn. Er was een epidemie van dyscalculie, dat!

De onwetendheid begon aan mij te vreten. Jezelf uit dat harnas van onrust bevrijden is geen sinecure, want je wentelen in zelfbeklag is zoveel makkelijker en zelfkastijding kan deugd doen.

De twee jonge meisjes bij de dienst belastingen gaf ik het voordeel van de twijfel en ik luisterde naar hun toelichting van twee minuten. Het blijft een vreemd gegeven dat je meer vertrouwen hebt in ietwat ouder personeel, terwijl de jongere generaties ook wel van wanten weten. U zal het moeten betalen, mevrouw. Snotneuzen!

De volgende stap was te rade gaan bij de maatschappelijk werkster. Zij slaagde er alweer in om me alles op een duidelijke, menselijke manier uit te leggen. Hoera voor haar! Dat neemt niet weg dat ik nog steeds de portefeuille van Johan Van Overtveldt zal moeten spekken, maar nu berust ik erin.

Meneer de Papegaai.

Tags

, , , , , , , , , , , , , , ,

Hij gaf een laatste klakkend zoentje, zoals hij zo vaak deed, vooral als er lekkers te rapen viel of op commando omdat wij dat eigenlijk schattig vonden, keer op keer. Die vogel heeft wat afgekust in bijna vijf decennia.

De dierenarts gaf vervolgens een prikje in zijn buik en twee tellen later vloog hij naar de dierenhemel, waar hij thans in goed gezelschap vertoeft en hopelijk geen vogel voor een of andere kat zal zijn. Stel je voor.

De onvoorwaardelijke en intense zorg voor Jacko de roodstaartpapegaai en vader, totemsgewijs Grote Grijze Vogel genaamd, was niet altijd heilzaam voor moeders bloeddruk. Die werd af en toe naar het plafond gekatapulteerd, om daar eventjes te blijven hangen.

Het lichaam protesteert en kraakt, maar breken doet het niet, aangezien haar vernuft krachtige signalen stuurt in de trant van: rust roest. Dat van dat morfinepilletje houden we stil. Vader draagt natuurlijk ook zijn steentje bij. Wat had je gedacht, dat hij de godganse dag zoentjes geeft?

Aldus ging het al een tijdje niet zo denderend met meneer de papegaai. Hij zat er wat futloos en moedeloos bij volgens moeder. Je zou voor minder als je zolang in een kooi zit, toch? Ik ben jullie wat voor.

En toch, hij had zo zijn vrijheden. Hij mocht onbezonnen rondtrippelen in de keuken, waar hij eten afschooide bij moeder, terwijl ze aan het kokkerellen was. Hij had een waaier van lekkernijen op zijn menu: spaghetti, vlees, aardappel, frietjes,  groenten, fruit, een ijsje. Moeder durfde weleens een stukje brood soppen in wat jenever, om hem het zwijgen op te leggen. Haar motto: wat je niet doodt, maakt je sterker. Dat beest bleef maar leven.

Hij ging op verkenning in de garage, waar hij op de fietsen klom. Tijdens zijn waggelende roadtrip had hij zijn vernielzucht niet altijd even goed onder controle, tot ergernis van moeder. Ze schoot uit haar sloffen, wat eigenlijk niets meer dan een schuin kopje en een vogelgrijns teweegbracht. De keukenhanddoek tevoorschijn halen was hét ultieme en het meest efficiënte middel om zijn buitensporigheden een halt toe te roepen.

Herhaling zit natuurlijk in de genen van een papegaai. Twee minuten nadat ze haar rug had gedraaid, vervolgde hij alweer als een verwaande vogel zijn knibbel- en knabbelgangetje. Het vijfde kind.

Wanneer het mooie weer zijn opwachting maakte, was het tijd om de kooi buiten te hangen onder het afdak van het terras. Veelal was het kooideurtje open, zodat hij een spontane walk-about kon doen. Het was er de geknipte vogel voor.

Begon het plotsklaps te regenen terwijl hij bovenop de kooi zat, dan rekte hij zich zodanig uit tot onder de dakgoot en liet hij de regendruppels welwillend op zijn kopje en kleine lijf plenzen, wapperend met zijn vleugels. Slim was hij ook.

Bleef de regen achterwege, dan pakte moeder hem onbevreesd beet bracht hem met veel gekwetter en kabaal naar de badkamer, waar hij een volwaardige,  verfrissende douche kreeg. De vleugels werden weer stofvrij. Een proper huis is een mooi huis, dacht moeder. Hij werd in een handdoek gedraaid gelijk een pasgeboren baby, om geen valling op te doen. Vluchten kon niet meer. Het gekwetter verstomde en maakte plaats voor een zoentje.

Het was een graag geziene vogel, vooral dan vanop afstand. Bij vader kroop hij weleens op de schouder, peuzelde voorzichtig aan zijn oor en vertelde wat onzin, tot hij dan weer eens in vaders vinger knapte en de liefde weer over was.

Dat we hem zo gek als een deur maakten door constant over de tralies heen en weer te ratelen heeft er misschien wel iets mee te maken dat we allemaal op gezette tijden en vooral onverwacht een ferme knip kregen in lip, neus of vinger. Moeder was de uitzondering.

De laatste maanden hield ze hem met argusogen in de gaten en zag dat het van kwaad naar erger ging. Hij kon niet meer klimmen, viel constant van zijn stok, wat natuurlijk nefast is voor een geknipte vogel, want dan ben je vogel af, toch?

Een bezoek aan de dierenarts mocht niet uitblijven, want een dier mag niet onnodig lijden, zoveel is zeker. Medicatie mocht niet baten en na wat uitstelgedrag werd dan toch de pijnlijke knoop doorgehakt.

Exit van een vrolijk tijdperk waarin Jacko de namen schreeuwde van vader en moeder, kinderen, klein– en achterkleinkinderen, een hond en menig kat en vertellingen brabbelde dat het een lieve lust was.

Meneer de papegaai mocht terug mee naar huis, met de oogjes dicht en de snavel toe. Na een nachtje frigo werd hij ’s anderendaags liefdevol, gewikkeld in een handdoek en gelegen in een champagnekistje, in de tuin begraven, zoals het een luxe-beest betaamt.

 

11/9

Tags

, , , , , , , , , , , , , ,

Ik struinde onbezonnen rond in Manhattan en waande me Carrie van “Sex and the City”, maar dan zonder de Manolo’s. Met de discman aan de heup, vrolijk neuriënd en vrij als een vogel aanschouwde ik vluchtig de evidente aanwezigheid van de Twin Towers blinkend in hun vel, niet vermoedend dat dit de laatste keer zou zijn.

Vanuit haar thuishaven New York voer Carnival Cruiselines Victory – mijn zalig drijvende bedstee – ’s avonds uit met aan boord een nieuwe lading passagiers, klaar voor hun 7-daagse cruise met bestemming Canada en New-England. Mijn casinoplunje lag wederom klaargestoomd.

Half slaperig en schoorvoetend slofte ik de verpozingsruimte van het casino binnen. Die zeedagen waren er altijd wat teveel aan. Ik spreek voor mezelf: vroeg uit je kip om dan meer dan het klokje rond in de speelzaal te werken alsook het moeten aanschouwen van een allegaartje van Amerikanen, die als bezetenen een felbegeerde jackpot probeerden te scoren.

Enkele collega’s stonden met de armen om zich heen geslagen alsof het er ijzig koud was. Ze staarden naar het televisiescherm waarop een beeld verscheen van een in lichterlaaie staande wolkenkrabber. Ah, The Towering Inferno, dacht ik. Lang geleden dat ik die film zag.

De realiteitsschok deed me echter wankelen en dit op een kalme, vredige Atlantische oceaan. Een tweede vliegtuig boorde zich vervolgens in de andere WTC toren. De hel barstte los. Mijn hersenen draaiden op volle toeren. Wat, hoe, waarom en vooral: wat nu? De fatalist in mij nam het over en zo bleef een grote paniekaanval achterwege.

Angstmomenten kwamen pas ten tonele vele jaren later. Volgens niet-gediplomeerde experts luidde het gratis advies: trek het je niet aan en je doet het allemaal jezelf aan. Overboord springen was geen optie meer. Dit terzijde.

De crew had zijn handen vol met bezorgde passagiers, die hen met vragen en frustraties bestookten, terwijl ze zelf in het ongewisse verkeerden. Onrustig geroezemoes.

Veel tijd om te reflecteren had ik evenwel niet, want het casino bleef geopend. De toeloop naar de speelzaal was kariger, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Zo is dat. Ze zochten hun soelaas aan de speeltafels en bleven hun ergerlijke, vadsige zelf. Ik had zin om zo’n rouletteballetje in hun oog te knikkeren. Heel dat casinogedoe kon me eigenlijk gestolen worden. Ik wou slapen. Elk heeft zo zijn manier van vluchten, toch?

Terugkeren naar New York was uitgesloten. Manhattan was een rampgebied en de pier diende om de lijken te bergen. Zodoende eindigde deze onvergetelijke cruise in Boston, alwaar er voor menig passagier een andere regeling werd getroffen om thuis te geraken.

Het was onwaarschijnlijk dat mijn contract van zes maanden op deze manier zou aflopen, maar Osama bin laden en zijn martelaren hadden jammerlijk genoeg iets anders in petto: 3000 onschuldige mensen de dood injagen op weg naar het paradijs met de 72 maagden. Het lot heet dat dan.

Ook al was ik veilig en wel zo’n terroristische aanslag niet zover van mijn bed, dat doet iets met een mens. Ik herinner me dat ik mijn moeder aan de lijn had – collect call – en dat ik mijn emoties niet meer kon bedwingen. Ik raaskalde over een testament, dat ik niet heb, alsof mijn nalatenschap er een zal zijn om u tegen te zeggen. Een rijkdom aan gedachten en wat katers, dat. Wie staat er daarvan te popelen? Het zal nipt worden om een koffietafel te organiseren. Ik zeg het maar.

Ik kon mijn reeds betaalde vliegtuigticket JFK Airport-Brussel wijzigen naar Boston Airport – Brussel, wat natuurlijk maar een fait-divers is in vergelijking met de chaos en treurnis die het Amerikaanse volk moest ondergaan.

De veiligheidscontroles in Bostons luchthaven waren niet min. Ellenlange wachtrijen vloeiden daaruit voort: het begin van een nieuw gegeven met geduld als maatstaf. Ik plofte me gelukzalig neer in mijn toegewezen zitje. Een vreemde gewaarwording bekroop me, dat van het ontwaken uit een roes met een figuurlijke kater, genaamd 9/11.