Afbeelding

Wilson

Tags

, , , , , , , , , , ,

Hij sabbelde aan mijn oor dat het een lieve lust was. Het sappige gespin dat eruit voortvloeide had een ontspannend effect op mij. Zijn pootjes met vlijmscherpe, sikkelvormige nageltjes baanden zich onbezonnen een weg door mijn haarkrollen, om die dan af en aan in mijn hoofdhuid vast te klauwen. Zelfkattijding.

Ten langen lesten verlegde hij zijn focus naar mijn huis, hebben en houwen. De opborrelende energie in zijn tijgerlijfje kreeg de bovenhand. Ik was min af. Geen dagelijkse zoogpartijen meer. Oef, want  dat zuigende en kluivende gelebber kwam mijn lel niet ten goede. Er zat bijna geen rek meer op. Een Witte Masai tot daaraan toe.

Herviel hij toch eens in zijn vertrouwde sabbelgewoonte, dan was hij vaak al doodop van rond te sputteren en kattenkwaad uit te halen en diende mijn oor slechts als slaapmuts.

Er arriveerde onverwacht een vriendje voor Wilson. Ik ging overstag door het dramatische verhaal: ‘Kattin sterft door aanrijding van auto en laat kitten na zonder warm nest.’ Pas weken later werd de wit-zwarte haarbal vrolijk bengelend voor de neus van de nietsvermoedende mijnheer de huisbaas gehouden, zodat hij enkel kon buigen dan wel barsten. ‘Ik wil het noch horen, noch zien!’, zei hij met lichte toorn, terwijl hij katertje nummer twee aaide. Het beest hield wijselijk zijn bek, want hij groeide op tot een huilebalk van een trauma-kat. Hoera.

Ze groeiden als kool, net als hun drollen. Ongelofelijk dat hun lijf zulke onwelriekende sigaren kon produceren. Als toemaatje vind je her en der wat kots en of een haarbal zwemmend in eigen nat, om dan net niet in katzwijm te vallen. Kattenpret.  Op de keukentafel werd bij beiden hun mannelijke flinkheid alsook hun balletjes weggehaald. Het was er de geknipte tijd voor. No balls, veel glorie.

Aangezien ik Wilson met mijn oor had grootgebracht, hadden we een innige band. Hier werd niet in geknipt. Zelfs Simon, meneer de andere kat, wist wat zijn plaats was. Zilver. De onverhoopte liefde dat ik voelde voor deze gebastaardeerde kater was diep. Zo diep. Toe, rol maar met de ogen of ga de hond eten geven.

Hij was het, die op tafel sprong en me begroette, toen ik thuis kwam van de job. Hij stelde zich steevast recht,  leunend met zijn voorpoten tegen mijn borst, bedelend om hem op te pakken, zodat hij vervolgens op mijn schouders kon kruipen om dan in mijn nek te liggen, als een nep-bontkraag. Hij ronkte in mijn oor en doopte er zijn natte, kouwe neus in. Kon hij praten, dan zou hij zondermeer fluisteren: ‘Sheeeee-ba!’

Hij, met zijn tijgerjasje met witte kraag en bijhorende witte sokken, was de verstrooiing die me mijn zorgen eventjes deed vergeten en mijn glimlach deed verbreden. Ai.

Hij was het, die mijn huidhonger stilde, wanneer we lepeltje-lepeltje lagen en ik zijn zeemvellenbuik omarmde en beroerde om vervolgens onbezonnen weg te doezelen. Wakker worden met een kater was nog nooit zo zalig, het stinken uit zijn bek niet meegerekend.

Plotsklaps werd hij uit mijn leven gerukt. Na dertien jaar begaf zijn hart het, hoewel hij nog wat jaren en levens tegoed had. Zo vond ook mevrouw de dierenarts die hem enkele maanden voordien had verlost van stenen in de plasbuis en blaas. Hij kreeg een ferme rits op zijn buik als herinnering.

Nu lag hij op sterven en ik moest hem uit zijn lijden verlossen. Ik knikte en de dierenarts voegde hét toe in zijn infuus. Luttele seconden en weg was hij. Mijn hart kreeg een steek. En nog.

Wilson dankte zijn naam aan de film Cast Away. – voor de onwetenden: Google is uw vriend. Geen volleybal die mij soelaas bracht, op het denkbeeldige verlaten eiland waarop ik me, weliswaar uit vrije wil, terugtrek en vertoef, maar een acht kilo kat. Zo was dat.

Simon, meneer de andere kat, neemt gretig de spotlight van Wilson over en ik zeg niet nee. Hoezee.

 

IMG_5500

Lees verder

Advertenties

Duidelijkheid schaft rust.

Tags

, , , , , , , , , , , ,

Na wat gezwind klaviergetokkel deelde de ouwe rot van de belastingdienst mij mee dat ik vijftien euro zou terugkrijgen. 2017 bleek een vruchtbaar aanslagjaar. Ik huilde net niet van blijdschap. Als afsluiter wist hij me ook nog te vertellen dat, gezien mijn situatie ik waarschijnlijk in de toekomst niet meer zou hoeven te betalen. Ik interpreteerde dat als nooit meer. Blinden en slechtzienden: High Five!

Die toekomst was er sneller dan dat de vijftien euro op mijn rekening gestort werd. Het was niet de vertrouwde, goedgevulde, bruine envelop met doorkijkvenstertje die de brievenbus deed klepperen en je zoals ieder jaar een zucht van jewelste deed slaken, maar een witte, dunnere versie met hetzelfde effect.

Aldus lag De Federale Overheidsdienst van Financiën onder de eivormige steen uit Bali en poerde niet. Het blijft iets dreigends en dictatoriaals. Mijn wil is wet, ha! Vandaar dat ik de gesloten enveloppe dat metaforische plaatsje gaf tot ik de tijd rijp achtte om het bij de keel te grijpen, los te schudden en open te rijten. Nog een geluk dat mijn tactiek niet degeneratief is.

Na enkele dagen haalde ik vier pagina’s uit de witte envelop tevoorschijn. Ze oogden minder aantrekkelijk dan een konijn. Ik ging er snel doorheen, want het lettertype was mij niet genegen. “Louter informatief en papierverspilling” maakte ik mezelf eventjes wijs.

Het onderbewustzijn prikkelde gelukkig mijn nieuwsgierigheid en de grijze cellen. Het blind vertrouwen in de belastingman met zijn rooskleurige toekomstvoorspelling begon ik in vraag te stellen. Het werd dusdanig tijd om dat zootje papier eens deftig onder de loep te houden.

Ik scrolde met mijn ogen naar beneden over de codes en dansende cijfers, geen solden maar saldo’s, tot ik het omkaderde bedrag van vijf cijfers en een komma zag. U mag raden waar de komma staat. Links ervan stond: TE BETALEN. De loep maakte het kwestieuze bedrag des te groter, waardoor ik me een hoedje schrok alsof ik door een sleutelgat piepte en iets vreselijks zag en achteroverviel. Hou jullie peep-verbeelding eventjes onder controle.

Het was een tijdje geleden dat ik dat onbehaaglijke, drukkende gevoel op de borstkas ervaren had. Acht kilo kat verdraag ik daarentegen wonderwel. IJsberen rond de tafel maakte het alleen maar erger. Ik draaide als een tol. Ja, ja, rol maar met de ogen. Teveel drama, duurt het té lang, teveel details? Zin om diagonaal te lezen?

Ik las de twee woorden: voorlopige berekening, die schuin over de pagina prijkten. Ze gaven me een beetje moed. Er zullen rekenfouten zijn. Er was een epidemie van dyscalculie, dat!

De onwetendheid begon aan mij te vreten. Jezelf uit dat harnas van onrust bevrijden is geen sinecure, want je wentelen in zelfbeklag is zoveel makkelijker en zelfkastijding kan deugd doen.

De twee jonge meisjes bij de dienst belastingen gaf ik het voordeel van de twijfel en ik luisterde naar hun toelichting van twee minuten. Het blijft een vreemd gegeven dat je meer vertrouwen hebt in ietwat ouder personeel, terwijl de jongere generaties ook wel van wanten weten. U zal het moeten betalen, mevrouw. Snotneuzen!

De volgende stap was te rade gaan bij de maatschappelijk werkster. Zij slaagde er alweer in om me alles op een duidelijke, menselijke manier uit te leggen. Hoera voor haar! Dat neemt niet weg dat ik nog steeds de portefeuille van Johan Van Overtveldt zal moeten spekken, maar nu berust ik erin.

Meneer de Papegaai.

Tags

, , , , , , , , , , , , , , ,

Hij gaf een laatste klakkend zoentje, zoals hij zo vaak deed, vooral als er lekkers te rapen viel of op commando omdat wij dat eigenlijk schattig vonden, keer op keer. Die vogel heeft wat afgekust in bijna vijf decennia.

De dierenarts gaf vervolgens een prikje in zijn buik en twee tellen later vloog hij naar de dierenhemel, waar hij thans in goed gezelschap vertoeft en hopelijk geen vogel voor een of andere kat zal zijn. Stel je voor.

De onvoorwaardelijke en intense zorg voor Jacko de roodstaartpapegaai en vader, totemsgewijs Grote Grijze Vogel genaamd, was niet altijd heilzaam voor moeders bloeddruk. Die werd af en toe naar het plafond gekatapulteerd, om daar eventjes te blijven hangen.

Het lichaam protesteert en kraakt, maar breken doet het niet, aangezien haar vernuft krachtige signalen stuurt in de trant van: rust roest. Dat van dat morfinepilletje houden we stil. Vader draagt natuurlijk ook zijn steentje bij. Wat had je gedacht, dat hij de godganse dag zoentjes geeft?

Aldus ging het al een tijdje niet zo denderend met meneer de papegaai. Hij zat er wat futloos en moedeloos bij volgens moeder. Je zou voor minder als je zolang in een kooi zit, toch? Ik ben jullie wat voor.

En toch, hij had zo zijn vrijheden. Hij mocht onbezonnen rondtrippelen in de keuken, waar hij eten afschooide bij moeder, terwijl ze aan het kokkerellen was. Hij had een waaier van lekkernijen op zijn menu: spaghetti, vlees, aardappel, frietjes,  groenten, fruit, een ijsje. Moeder durfde weleens een stukje brood soppen in wat jenever, om hem het zwijgen op te leggen. Haar motto: wat je niet doodt, maakt je sterker. Dat beest bleef maar leven.

Hij ging op verkenning in de garage, waar hij op de fietsen klom. Tijdens zijn waggelende roadtrip had hij zijn vernielzucht niet altijd even goed onder controle, tot ergernis van moeder. Ze schoot uit haar sloffen, wat eigenlijk niets meer dan een schuin kopje en een vogelgrijns teweegbracht. De keukenhanddoek tevoorschijn halen was hét ultieme en het meest efficiënte middel om zijn buitensporigheden een halt toe te roepen.

Herhaling zit natuurlijk in de genen van een papegaai. Twee minuten nadat ze haar rug had gedraaid, vervolgde hij alweer als een verwaande vogel zijn knibbel- en knabbelgangetje. Het vijfde kind.

Wanneer het mooie weer zijn opwachting maakte, was het tijd om de kooi buiten te hangen onder het afdak van het terras. Veelal was het kooideurtje open, zodat hij een spontane walk-about kon doen. Het was er de geknipte vogel voor.

Begon het plotsklaps te regenen terwijl hij bovenop de kooi zat, dan rekte hij zich zodanig uit tot onder de dakgoot en liet hij de regendruppels welwillend op zijn kopje en kleine lijf plenzen, wapperend met zijn vleugels. Slim was hij ook.

Bleef de regen achterwege, dan pakte moeder hem onbevreesd beet bracht hem met veel gekwetter en kabaal naar de badkamer, waar hij een volwaardige,  verfrissende douche kreeg. De vleugels werden weer stofvrij. Een proper huis is een mooi huis, dacht moeder. Hij werd in een handdoek gedraaid gelijk een pasgeboren baby, om geen valling op te doen. Vluchten kon niet meer. Het gekwetter verstomde en maakte plaats voor een zoentje.

Het was een graag geziene vogel, vooral dan vanop afstand. Bij vader kroop hij weleens op de schouder, peuzelde voorzichtig aan zijn oor en vertelde wat onzin, tot hij dan weer eens in vaders vinger knapte en de liefde weer over was.

Dat we hem zo gek als een deur maakten door constant over de tralies heen en weer te ratelen heeft er misschien wel iets mee te maken dat we allemaal op gezette tijden en vooral onverwacht een ferme knip kregen in lip, neus of vinger. Moeder was de uitzondering.

De laatste maanden hield ze hem met argusogen in de gaten en zag dat het van kwaad naar erger ging. Hij kon niet meer klimmen, viel constant van zijn stok, wat natuurlijk nefast is voor een geknipte vogel, want dan ben je vogel af, toch?

Een bezoek aan de dierenarts mocht niet uitblijven, want een dier mag niet onnodig lijden, zoveel is zeker. Medicatie mocht niet baten en na wat uitstelgedrag werd dan toch de pijnlijke knoop doorgehakt.

Exit van een vrolijk tijdperk waarin Jacko de namen schreeuwde van vader en moeder, kinderen, klein– en achterkleinkinderen, een hond en menig kat en vertellingen brabbelde dat het een lieve lust was.

Meneer de papegaai mocht terug mee naar huis, met de oogjes dicht en de snavel toe. Na een nachtje frigo werd hij ’s anderendaags liefdevol, gewikkeld in een handdoek en gelegen in een champagnekistje, in de tuin begraven, zoals het een luxe-beest betaamt.

 

11/9

Tags

, , , , , , , , , , , , , ,

Ik struinde onbezonnen rond in Manhattan en waande me Carrie van “Sex and the City”, maar dan zonder de Manolo’s. Met de discman aan de heup, vrolijk neuriënd en vrij als een vogel aanschouwde ik vluchtig de evidente aanwezigheid van de Twin Towers blinkend in hun vel, niet vermoedend dat dit de laatste keer zou zijn.

Vanuit haar thuishaven New York voer Carnival Cruiselines Victory – mijn zalig drijvende bedstee – ’s avonds uit met aan boord een nieuwe lading passagiers, klaar voor hun 7-daagse cruise met bestemming Canada en New-England. Mijn casinoplunje lag wederom klaargestoomd.

Half slaperig en schoorvoetend slofte ik de verpozingsruimte van het casino binnen. Die zeedagen waren er altijd wat teveel aan. Ik spreek voor mezelf: vroeg uit je kip om dan meer dan het klokje rond in de speelzaal te werken alsook het moeten aanschouwen van een allegaartje van Amerikanen, die als bezetenen een felbegeerde jackpot probeerden te scoren.

Enkele collega’s stonden met de armen om zich heen geslagen alsof het er ijzig koud was. Ze staarden naar het televisiescherm waarop een beeld verscheen van een in lichterlaaie staande wolkenkrabber. Ah, The Towering Inferno, dacht ik. Lang geleden dat ik die film zag.

De realiteitsschok deed me echter wankelen en dit op een kalme, vredige Atlantische oceaan. Een tweede vliegtuig boorde zich vervolgens in de andere WTC toren. De hel barstte los. Mijn hersenen draaiden op volle toeren. Wat, hoe, waarom en vooral: wat nu? De fatalist in mij nam het over en zo bleef een grote paniekaanval achterwege.

Angstmomenten kwamen pas ten tonele vele jaren later. Volgens niet-gediplomeerde experts luidde het gratis advies: trek het je niet aan en je doet het allemaal jezelf aan. Overboord springen was geen optie meer. Dit terzijde.

De crew had zijn handen vol met bezorgde passagiers, die hen met vragen en frustraties bestookten, terwijl ze zelf in het ongewisse verkeerden. Onrustig geroezemoes.

Veel tijd om te reflecteren had ik evenwel niet, want het casino bleef geopend. De toeloop naar de speelzaal was kariger, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Zo is dat. Ze zochten hun soelaas aan de speeltafels en bleven hun ergerlijke, vadsige zelf. Ik had zin om zo’n rouletteballetje in hun oog te knikkeren. Heel dat casinogedoe kon me eigenlijk gestolen worden. Ik wou slapen. Elk heeft zo zijn manier van vluchten, toch?

Terugkeren naar New York was uitgesloten. Manhattan was een rampgebied en de pier diende om de lijken te bergen. Zodoende eindigde deze onvergetelijke cruise in Boston, alwaar er voor menig passagier een andere regeling werd getroffen om thuis te geraken.

Het was onwaarschijnlijk dat mijn contract van zes maanden op deze manier zou aflopen, maar Osama bin laden en zijn martelaren hadden jammerlijk genoeg iets anders in petto: 3000 onschuldige mensen de dood injagen op weg naar het paradijs met de 72 maagden. Het lot heet dat dan.

Ook al was ik veilig en wel zo’n terroristische aanslag niet zover van mijn bed, dat doet iets met een mens. Ik herinner me dat ik mijn moeder aan de lijn had – collect call – en dat ik mijn emoties niet meer kon bedwingen. Ik raaskalde over een testament, dat ik niet heb, alsof mijn nalatenschap er een zal zijn om u tegen te zeggen. Een rijkdom aan gedachten en wat katers, dat. Wie staat er daarvan te popelen? Het zal nipt worden om een koffietafel te organiseren. Ik zeg het maar.

Ik kon mijn reeds betaalde vliegtuigticket JFK Airport-Brussel wijzigen naar Boston Airport – Brussel, wat natuurlijk maar een fait-divers is in vergelijking met de chaos en treurnis die het Amerikaanse volk moest ondergaan.

De veiligheidscontroles in Bostons luchthaven waren niet min. Ellenlange wachtrijen vloeiden daaruit voort: het begin van een nieuw gegeven met geduld als maatstaf. Ik plofte me gelukzalig neer in mijn toegewezen zitje. Een vreemde gewaarwording bekroop me, dat van het ontwaken uit een roes met een figuurlijke kater, genaamd 9/11.

 

Moeten is dwang.

Tags

, , , , , , , , , , , ,

Ik ben geen regelvreter. Je kan me niet plezieren met overbodige, extra regels. Dat zijn ongeschreven wetten en regels waarbij je verondersteld wordt, ze met een vingerknip te kennen en toe te passen. Nadenken over de situatie waarin je je op dat moment bevindt en je gevoel laten spreken hoort niet. Het moet snel gaan, zoals het de tijdsgeest betaamt. Bah, ik spuw ze onverwijld terug uit zoals een kind met reflux zonder slabbetje.

Zonder twijfel kan dit frictie veroorzaken bij je entourage en desgevallend krijg je soms gratis een stempeltje opgeplakt: tegendraads, moeilijk, aandachtshoer. Noem er gerust nog een paar op. Dondert het opeens in Keulen?

Mijn moeder vond het nodig om me als uk op vakantie te sturen naar de kinderloze tante en nonkel, tot vervelens toe. Dat de kwestieuze tante bij het krieken van de dag met haar verdomde stofzuiger mijn kamer binnenstoof, de rolluiken optrok, stof afnam, wakkerde mijn koleriek beestje en heimwee alleen maar aan. Vandaar dat ik al eens het hazenpad koos richting oma, die plotsklaps een kind in haar keuken vond, met een gezicht als een oorwurm. De rebellie was begonnen.

Helaas had ik thuis niets in de pap te brokken en kon ik de verplichte sleep-overs niet omzeilen. Nochtans kon ik moeder dan weer moeiteloos rond mijn vinger winden, om me een dagje van school te houden. Ik had nood aan slaap. Mijn diploma heb ik behaald op 43-jarige leeftijd. Dit terzijde.

Ik durf te resumeren dat al die opgelegde bezoekjes en telefoontjes plegen – tot ze me uiteindelijk de strot uitkwamen op volwassen leeftijd – me meer kwaad dan goed hebben gedaan. Duts. Aan spontaniteit werd veel ingeboet. Een haat-liefde relatie vloeit daaruit voort. Haat is een lelijk woord. Ik kan ook wrok, rancune, bitterheid, vijandigheid gebruiken. Eén pot nat. Zal ik er anders bloemetjes bij tekenen, zodat het minder hard over komt? Het is wat het is.

Ben je geboren met een olifantenvel en heb je die spreekwoordelijk knop in je hoofd, hoera! Ik niet.

Je hebt vanuit je kribbe, welke dat ook moge zijn, normen en waarden meegekregen, die je tijdens je leven toepast, deletet, verandert naargelang je pad geplaveid is. Het vormt je tot wie je bent vandaag: niet perfect. Maar dat wisten jullie al, toch?

Ik schreef ooit in een notaboekje de woorden van de Griekse filosoof Epicurus: freedom, friendship, analyse life. Engels is een internationale taal. De woorden bleven hangen. Vrijheid in je hoofd is onmisbaar. Vriendschap is geen illusie. Bewust leven en af en toe eens stilstaan bij wat is. Niet te lang. Volgens Epicurus is het een door de natuur gegeven feit, dat zowel dier als mens het vermijden van pijn en het verkrijgen van genot nastreeft. Ah, en ook: een teruggetrokken leven tussen vrienden is het beste leven. Straks nog wat hamsteren. Een roloog-momentje, doe maar.

Vandaag, gisteren ook, kabbel ik verder op mijn manier. Met een denkbeeldige rugzak die gaandeweg ontlast wordt van druk van buitenaf, kommer van weleer. Zo geraak ik in een aangename cadans die een broodnodige zielenrust teweeg brengt. Af en toe is er nog een kortsluiting in mijn hoofd, die ik alsmaar sneller kan fixen en waaruit ik iets leer of afleer.

Wat moeder betreft, krijg ik af en toe nog eens een overtreding, wanneer ik volgens haar weer tegendraads of onredelijk ben. De tante krijgt zelfs geen rood. Gelukkige zijn de grote clinchen verleden tijd. Ik heb paal en perk gesteld en moeders leeftijd laat het ook niet meer toe. Ik laat haar nu haar frustraties van het ouder worden en de pijntjes die erbij horen, op mij botvieren. Ik geef haar zelfs advies: gooi je oud servies tegen de muur, weliswaar met je goeie arm.

Liefde vind ik een moeilijk woord. Wanneer is het liefde? Respect is het omvattend woord wat ik voor moeder voel. Het is met de jaren gegroeid door het te voeden met mildheid, wijsheid en mijn waarden met de bijhorende normen.

‘Blijven dromen en verdwalen’

Tags

, , , , , , , ,

Als naïeveling vind ik soms verlichting alsook troost in ongecompliceerde woorden. Ze maken het moment perfect en roepen bijwijlen een halt toe aan de mallemolen in mijn hoofd. Neem alvast een nipje pompwater om de voor jullie klinkklare onzin door te spoelen, want chaos is jullie vreemd, toch?

Daarentegen blijf ik als nieuwsgierig aagje ook weleens haperen aan grote, dikke woorden waarvan ik denk: wie vindt er zulks toch uit? Nadat mijn leergierigheid het haalt van de ergernis, verdiep ik me in de definitie ervan, waarna het desgevallend woord gedeletet of opgeslagen wordt, in mijn hoofd welteverstaan. Mijn geheugen is namelijk onverwoestbaar, net als mijn verdoken optimisme. Verslik u niet.

Helaas passen de tot mijn verbeelding sprekende woorden niet altijd bij wie ik daadwerkelijk ben, net zoals je je in dat beeldige prinsessenjurkje wurmt en ervan uitgaat dat het je een pompoenritje zal bezorgen met gratis overnachting. Boerenleute zonder hooi, dat!

Niettemin gebeurt het dat ik een pas ontdekt strak woord of begrip stoutmoedig in een zin smijt en bij het nalezen aangenaam verrast ben dat het niet verwaand overkomt en vooral, dat er niets van mijn eigenheid verloren ging. Verveelde Germanisten of betweters die mijn luchtbel willen doorprikken, lees eventjes een stationsromannetje om je aan te ergeren. Dank.

Virtuele assertiviteit is de max.

Een degelijke woordenschat hebben is geen referentie om nooit meer voor schut te zullen staan. Ook al giet je de woorden met veel precisie in hun vorm, wanneer er noch gevoel noch overtuiging over gestrooid werd, blijven het loze woorden en ga je beter vissen. Ik heb ooit nog paling gevangen.

Zijn jullie met de vingers aan het tikken, klaar om bla, bla, bla naar beneden te scrollen? Niet hoogstaand genoeg of is het tijdsdruk? Ja, dat zal het vast zijn. Les excuses sont faites pour s’en servir. Och gottekes, ze kent wat woordjes Frans.

De maand december heb ik op automatische piloot ondergaan. Die was dusdanig ingesteld om alles wat op een rendier leek vooral NIET overhoop te rijden. Desondanks stond naar het einde van de maand toe mijn hoofd op springen, vol met indrukken, kerstergernis en verstoorders van mijn rust. Mijn schrijfuitlaatklep liet het afweten.

Ik had af en toe een opflakkering en dan nam ik plaats voor de computer, maakte een word-document open en gaf het een geforceerde titel, zodat het me dat bevrijdend gevoel van voldoening gaf, alsof ik op het punt stond om een meesterwerk te schrijven. Niet dus. Jullie hebben het nog tegoed. Veeg die grijns van jullie gezicht.

Ik las het herhaaldelijk. Dat ene zinnetje hield me bezig, heel simpel en zoveel zeggend: “Blijven dromen en verdwalen.” Klein geluk heet dat dan. Een zin kan mij wel degelijk een schop onder mijn kont geven met de bijhorende moed. Dromen begonnen weer te dagen en opeens liep ik de maand januari binnen met een lage hartslag en een doel en nu klopt februari op de deur. Ik was gewoon verdwaald in december en vond mijn woorden niet. Het gebeurt met de beste.

 

Marathon 10.0

Tags

, , , , , , , , , , , , ,

‘Raad eens waar ik mijn volgende marathon zal lopen?’ Zo’n vraag brengt bij moeder een onschuldige hartritmestoornis en een tsunami van gedachten teweeg. Vader, die doet niet mee aan nutteloze stress. Hij eet rustig verder, want zijn tukje wacht.

New York, New York! Er verschijnt toch een goedkeurende, jij-bent-me-er-eentje glimlach op haar gezicht. Daarachter schuilt natuurlijk dat ze maar al te blij en opgelucht zal zijn, wanneer ik terug in een veilige moederstraal van pakweg vijf kilometer vertoef. Gelukkig zit er nog wat rek op. Kwestie van adem te hebben.

Aldus begon ik aan mijn hardloopschema. Kilometers vreten en genieten als een kind bij het afvinken van alweer een training. De hersenen worden tijdens de opbouw naar de kwestieuze 42,195km voldoende verlucht en ontdaan van overbodig stof en spinsels. De dosis moed wordt gespekt. Het is een totaalpakket.

Dat een hernia, artrose in de teen en een knie met streken me af en toe deed surplacen, laat ik eventjes buiten beschouwing.

Naast het hardlopen moest ik ook mijn entourage op poten zetten, die me veilig en wel zou begeleiden tijdens de marathon. Die slechtziendheid bezorgt me nog net geen sterallures.

Dankzij Achilles International, een organisatie die het voor mensen met een beperking mogelijk maakt om deel te nemen aan een loopwedstrijd, kreeg ik vier begeleiders toegewezen: Art, Cara, Gail en Nancy. Het kon weer niet op. Pas in de vroege ochtend van de marathon zouden we elkaar voor het eerst live ontmoeten. Spannend, zo’n blind-loop-date. In plaats van een roos zou ik mijn witte stok als herkenningspunt meehebben.

Touchdown in New York! Het acclimatiseren kon beginnen, met een comaslaapje. De sluimerende stress moest de kop ingedrukt worden. Jawel, zelfs na negen marathons denk ik nog steeds: shit, hoe zal ik deze klus weer klaren? Faalangst. Ach, jullie stressen niet, nooit zenuwen, controle-freaks. Reuzen met 100 ogen zeker?

Zondag 5 november. De wekker liep af om 3u15. Looptenue aandoen. 3u45 ontbijt. IJsberen. Ademen. Klets tegen de kaak. 4u45 taxi richting ontmoetingsplaats met de buddy’s. Afscheid nemen van mijn reisgezel. Tot aan de meet!

De bussen van Achilles stonden klaar. Er volgde een lange rit naar de start: Staten Island. Ideaal om wat te kletsen en af te tasten wat voor vlees er in de kuip van Team-Tina zat. Menselijk, toch? Cara was de jongste van de bende, 28 en ze bruiste van energie, terwijl ik nog mijn bed rook. Gail was de lieve gezinstherapeute, 43, die me gratis peptalk gaf en dit met veel superlatieven. Nancy, 60, zou mijn skinny ass blijven volgen. Ze mocht blijven. Art, 61, was de gereserveerde gentleman die precies opfleurde met al zijn vrouwen.

9u50. Na de minuut stilte naar aanleiding van de recente terreuraanslag en Frank Sinatra die zijn stad bezong, kwam er eindelijk wat schot in de zaak. Kippenvelmomentje.

Plotsklaps overviel me een vermoeidheid om u tegen te zeggen. De zakken onder mijn ogen duwden mijn glimlach naar beneden. Nog een geluk dat het geen schoonheidswedstrijd was. De eerste kilometers liep ik met zware benen en ik had al snel in de smiezen dat ik de late brunch wel op mijn buik kon schrijven.

Ik kreeg een ferme pijnscheut in de enkel. Ik was alweer vergeten dat ik de avond voordien het trottoir had gemist. Lompheid en slechtziendheid zijn nefast voor toptijden. Ik slikte een Feldene en de pijn ebde weg.

Gail liep links van me. Een lint hield ons samen. Cara liep als entertainer op kop. Nancy was op achtervolgen aangewezen, en Art bleef rechts. Hij was de waterdrager en vulde mijn flesje telkens het leeg was. Hoe verwend kun je zijn? Na een tijdje heb ik hem toch ontslagen als rechtervleugel, aangezien hij maar tegen me aan bleef lopen. En toen kwam de kat op de koord: ‘Ik heb wat problemen met mijn linkeroog.’ Oh well.

Cara was de leider en ik volgde gedwee haar benen en signaal gevende handen, die me ervoor behoedden om letterlijk op mijn bek te gaan. Ik bleef maar lopen. Strakker kon het niet. Nancy had zich her en der aan een pitstop verwacht, maar op een kuitenbijter uit Belgenland had ze niet gerekend. Ha!

Van Staten Island, Brooklyn, Queens en The Bronx heb ik slechts een glimp kunnen opvangen. Gelukkig ben ik niet doof, vandaar dat het oeverloze gejoel van de enthousiaste menigte een welkome doping was, hoewel een plotse stilte op een lege verdomde brug teveel, me wat rust gaf in mijn hoofd. ’t Is altijd iets, zeg het maar.

In Manhattan vertikte ik het zelfs om nog op te kijken. Zwijg me over de resterende kilometers. Is het nog ver? Waar zijn die bomen van Central Park? Mijn topteam moedigde me aan. De laatste honderd meter: mijn lijf schreeuwde. Ik vloog over de meet met de armen in de lucht.

Marathon 10.0, eat that!

 

‘Laby-rent’

Tags

, , , , , , , , , , , , ,

De schemering kondigde zich aan als voorbode van de duisternis. Voor mij een teken om huiswaarts te keren. Ik had nog grof geteld een uur de tijd om op een relaxte, veilige manier met mijn beste vriend – de witte stok – naar huis te stappen. Nachtblindheid staat garant voor de onmogelijkste accidenten.

Ik had voor Levensloop en het goede doel wat rondjes gelopen op de Finse piste in fijne compagnie, zonder me écht moe te maken. Aldus zou een extra vijf kilometer wandelen naar huis voor mij absoluut geen dooddoener zijn. Ho, ho mag ik ook eventjes stoefen, over datgene waar ik tegenwoordig goed in ben? Goed zo.

Aangezien het gros van het sportieve wandel-loop gezelschap met de fiets was – de verkoop van picon vin blanc en gerstenat in de tent had er absoluut niets mee te maken – was het voor mij een nu of nooit moment. Afhankelijk zijn blijft een heikel punt. Ik geef het toe.

Op aandringen van de teamleidster werd ik door haar dochter van het sportterrein begeleid. Van daaruit zou ik ongetwijfeld mijn plan trekken. De stevige kinderhand nam het over en ik liet begaan. Hartverwarming in de omgekeerde wereld.

Met haar geschminkte snoet en guitige glimlach, beschut onder de gele regenkap, zwaaide ze en riep me nog schalks na: zorg maar dat je niet verdwaalt! Voor een achtjarige uk is ze al vroeg bij de pinken, dacht ik ietwat verbouwereerd. Verdwalen, wat zou ik.

Gezwind ging ik met mijn gedachten en fijn gevoel na het bijdragen van mijn steentje aan de strijd tegen het beest genaamd kanker, richting huisje weltevree. Een perfect scenario.

Cut! Mijn buikgevoel gaf me plots een schop en stopte abrupt de mijmerij. Het gebuurte, dat al precies in slaapmodus verkeerde, kwam me niet bekend voor. Ik hield halt en spitste de oren. Ik hoopte op geroezemoes van zoevende auto’s op de stadsring, dat als indicatie zou kunnen dienen om me weer op het goeie pad te brengen. Het werd me niet gejeund.

Daar stond ik dan te blinken in mijn looptenue, met een rugzakje, nonchalant leunend op mijn witte stok. Ik waande me eventjes een vermomde Fred Astaire. Er verscheen een glimlach op mijn gezicht, want ik zag er de humor van in. U leest het goed. HUMOR.

Het gefluister van de voortschrijdende duisternis bracht mijn gezicht weer in mijn vertrouwde serieuze plooi. Mijn hartslag maakte een sprongetje, want de gedachte dat ik in het donker, op onbekend terrein vast zou komen te zitten, deed me een ietsepietsie huiveren. Mijn wonder woman outfit lag thuis.

Kaartlezen op mijn smartphone was geen optie. Tegen de tijd dat ik dat had uitgedokterd kon ik er een nachtspel van maken. Zwaaien met mijn witte stok naar de voorbijrijdende auto of dame op de fiets, deed ik niet, overtuigd dat ik uit deze wirwar van straten zou geraken. Koppigheid heet dat dan.

De voor mij onbekende, opduikende kerk bracht noch soelaas noch verlichting. Ik ben meer vertrouwd met de kroeg aan een kerk, maar die was nergens te bespeuren. Ik werd een lichte vermoeidheid gewaar. Het begon stilletjes aan te lijken op het scenario van een marathon. Je krijgt plotsklaps de klop van de hamer en dan ben je aangewezen op je doorzettingsvermogen, om het tot een goed einde te brengen. Prettig gestoord zijn helpt ook.

Eureka! Een rijbaan, auto’s, stoplichten, frietkot en zowaar een bekende kroeg. Ik zette er wat vaart achter, want de duisternis zat me op de hielen. Ik rook mijn stal. Uiteindelijk kon ik nog net met mijn volle gewicht tegen de voordeur de donkerheid buitensluiten, met de glimlach. Wat had je gedacht?

‘Niets is wat het lijkt’

Tags

, , , , , , , , , , , ,

‘People are strange’, en hij nam nog een tripje. Een halve eeuw geleden zong Jim Morrison dit voor de allereerste keer en dit op zo’n hallucinante wijze, dat je je zonder drugs een outsider voelde. Slikken, snuiven en spuiten, gasten!

Het enige wat ik ooit op mijn tong heb laten smelten, was een Imodium, net voor de start van een marathon. Dit terzijde.

Zelf zweefde ik in 67’ nog lekker rond in de kuiten van vaderlief om pas, per abuis, twee jaar later in volle Flower Power door moeder op de wereld gezet te worden. Beduusd schreeuwde ik het uit, alsof ik wist dat het geen Trivago-tripje zou worden. Ik begin weer, ja.

De weg die ik tot op heden heb afgelegd, is ongetwijfeld geen klassieker, maar een met verrassende wendingen en cols om te surplacen. Ik wacht nog altijd op mijn bolletjestrui. De koersgenen van grootvader steken weer de kop op.

Ondertussen heb ik de kaap van twee jaar thuiszitten bereikt. Ik bedank voor een medaille, echt. Heel wat puzzelstukjes zijn op hun plaats gevallen, waardoor ik mijn huidige situatie wat beter kan schetsen en aanvaarden. Het heeft me enorm veel energie gekost én tijd, maar die stond sowieso aan mijn zijde samen met geduld.

Voorwaar, het komt nog goed met me!

Hola, doe maar rustig aan met dat vreugdedansje op muziek die klinkt als: ha, we zijn van haar weemoed en klaagzang af. Mag ik jullie erop wijzen dat er nog ettelijke puzzelstukjes ontbreken? Ok.

Door wat teruggevonden rust houd ik me bovenal bezig met het anticiperen op datgene wat me dusdanig mentaal of fysiek de das zou kunnen omdoen. Ik faal nog regelmatig, ik geef het toe. Trunterij valt wel eens uit de mond. Vandaar dat een olifantenvel ook van doen zou zijn om me te wapenen tegen de lompheid en het zwart-witdenken van sommigen. À propos, degenen die zich aangesproken voelen, hoera en er is werk aan jullie winkel.

Ik ben een gevoelige trien, het is eruit! Zwijg stil, ik hoef dat boek van Fleur van Groningen – alle respect, Fleur – niet te hebben gelezen, om plots inzicht te hebben in mijn zijn. Dat kind was zelfs nog niet geboren toen ik al besefte dat ik een buitenbeentje was: niet raar, maar anders, speciaal mag ook. Zo is het en niet anders. Was ik een man, dan heette ik beslist Hans.

Adem in en uit en lees verder in plaats van je te ergeren aan oprechtheid. Och, jullie hebben het zo druk en watjespraat hoort niet op jullie tijdlijn. En of ik wel mijn pilletje heb geslikt, stik.

Naast die verdomde kwetsbaarheid beschik ik ook over een flinke dosis doorzettingsvermogen – lees positief – dat soms leidt tot grote en kleine overwinningen, waarvan ik dan denk: hoe is het mogelijk en waarom doseer ik die kracht niet, zodat die wirwar in mijn hoofd constant in goeie banen wordt geleid. Ik kick blijkbaar op moeilijk. Hoewel, jezelf bij de kraag grijpen na een dip is geen sinecure. Hoe het is, wanneer je er daadwerkelijk in zit? Pyjama’s verslijten, dat.

Dipjes, ditjes en datjes, raar en onbegrijpelijk, gevoelig en hard, iedereen heeft wel wat. De een noemt de ander raar, overtuigd van hun normaal zijn, terwijl we allemaal een zootje ongeregeld zijn. Dat is pas normaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

‘Vallen en opstaan’

Tags

, , , , , , , , , , ,

Onlangs ben ik ’s nachts eens flink doorgezakt. Terwijl ik uit de losse pols die immer vrolijke zinnetjes en gedachten op het computerklavier tokkelde, had de pianokruk het blijkbaar gehad met mijn voortdurend wiebelend pluimgewicht. Krak.

Ik kieperde achterover met een kreet, die de katers plotsklaps uit hun eeuwige slaap rukte en weg deed sputteren. Wat extra versnellingen kunnen die twee vetzakjes alleen maar ten goede komen, tenzij een hartstilstand, door ’t verschieten, daar een stokje voorsteekt.

Met een harde bonk kwam ik op mijn staartbeen terecht, om dan verder met veel voetbalallure op de buik terecht te komen en te blijven liggen alsof het een doodsmak was. Na middernacht kus ik toch liever een mooie man dan de planken vloer. Stof eten, dat!

De eerste gedachte die in me opkwam, terwijl mijn hartslag zijn normale ritme zocht, was: shit, ik zal niet meer kunnen hardlopen. Inderdaad, de rest van de wereld, met zijn fratsen en problematiek, zal me worst wezen, en aangezien ik een luxeleven heb, is intensief lopen momenteel mijn dada. Geeuw maar.

Na een vijftal minuten baden in angstzweet en dit zonder tranen, kwamen de katers behoedzaam tevoorschijn. Ze snuffelden aan de kapotte kruk, om zich dan parmantig en katsgewijs richting hun voederbakje te begeven. Valsaards. Hun spuitje is besteld.

Tijdens mijn pose als aftands vloerkleed had ik een ijl moment: ik had een lief! Hij sloeg zijn sterke arm om me heen om me dan liefdevol en zachtjes verticaal te hijsen. Hij liet mijn hoofd op zijn schouder rusten. Hij suste me tot dat ik weer van deze wereld was – geduld was hier vandoen – om dan uiteindelijk zoet in mijn oor te fluisteren: je hebt toch dat geruite hemd, dat ik nodig heb voor die belangrijke vergadering morgen, kunnen strijken hé, schat?

Uiteindelijk schraapte ik al mijn moed samen, zonder lief én krassen te maken, en kreeg ik mijn getormenteerde lichaam weer wat in beweging, voorzichtig aftastend welke de meest vloeiende en minst pijnlijke houding was om recht te komen. Ik was precies een decennium ouder geworden, althans zo schreeuwde mijn lijf. Dit is drama pur sang!

Och gottekes, ze is weer de enige op deze aardkloot die pech heeft. Toe dan, flap het er maar uit.

Daar sta je dan ’s nachts na tweeën. Er verschijnt eventjes een glimlach – misschien moet ik wel vaker op mijn gat vallen – wanneer ik dit banana-split-moment weer voor de geest haal. De ernst neemt het algauw weer over, want ik voel dat er een zwelling boven mijn bevallig achterwerk is gerezen, met als toemaatje een blauwe plek om u tegen te zeggen.

Ik hoopte dat met pijnstillers en voldoende rust de kous zou af zijn, maar ik belandde nogmaals bij mevrouw doktoor. Na een hevige hoestbui kwam mijn verdoken hernia in de onderrug al stralend gedag zeggen. Rotzak.

De combinatie hernia en pijnlijk staartbeen is nefast voor de moraal en het bereiken van mijn vooropgesteld doel. Moraalridders, zwijg stil.

Drie weken na de val heb ik mezelf weer bij de kraag gevat en op de looprails gekregen, waarbij ik me soms de vraag stel: zou die natuurlijke bron van moed en willen onuitputtelijk zijn? Stel je voor.