Tags

, , , , , , , , , , ,

Hij sabbelde aan mijn oor dat het een lieve lust was. Het sappige gespin dat eruit voortvloeide had een ontspannend effect op mij. Zijn pootjes met vlijmscherpe, sikkelvormige nageltjes baanden zich onbezonnen een weg door mijn haarkrollen, om die dan af en aan in mijn hoofdhuid vast te klauwen. Zelfkattijding.

Ten langen lesten verlegde hij zijn focus naar mijn huis, hebben en houwen. De opborrelende energie in zijn tijgerlijfje kreeg de bovenhand. Ik was min af. Geen dagelijkse zoogpartijen meer. Oef, want  dat zuigende en kluivende gelebber kwam mijn lel niet ten goede. Er zat bijna geen rek meer op. Een Witte Masai tot daaraan toe.

Herviel hij toch eens in zijn vertrouwde sabbelgewoonte, dan was hij vaak al doodop van rond te sputteren en kattenkwaad uit te halen en diende mijn oor slechts als slaapmuts.

Er arriveerde onverwacht een vriendje voor Wilson. Ik ging overstag door het dramatische verhaal: ‘Kattin sterft door aanrijding van auto en laat kitten na zonder warm nest.’ Pas weken later werd de wit-zwarte haarbal vrolijk bengelend voor de neus van de nietsvermoedende mijnheer de huisbaas gehouden, zodat hij enkel kon buigen dan wel barsten. ‘Ik wil het noch horen, noch zien!’, zei hij met lichte toorn, terwijl hij katertje nummer twee aaide. Het beest hield wijselijk zijn bek, want hij groeide op tot een huilebalk van een trauma-kat. Hoera.

Ze groeiden als kool, net als hun drollen. Ongelofelijk dat hun lijf zulke onwelriekende sigaren kon produceren. Als toemaatje vind je her en der wat kots en of een haarbal zwemmend in eigen nat, om dan net niet in katzwijm te vallen. Kattenpret.  Op de keukentafel werd bij beiden hun mannelijke flinkheid alsook hun balletjes weggehaald. Het was er de geknipte tijd voor. No balls, veel glorie.

Aangezien ik Wilson met mijn oor had grootgebracht, hadden we een innige band. Hier werd niet in geknipt. Zelfs Simon, meneer de andere kat, wist wat zijn plaats was. Zilver. De onverhoopte liefde dat ik voelde voor deze gebastaardeerde kater was diep. Zo diep. Toe, rol maar met de ogen of ga de hond eten geven.

Hij was het, die op tafel sprong en me begroette, toen ik thuis kwam van de job. Hij stelde zich steevast recht,  leunend met zijn voorpoten tegen mijn borst, bedelend om hem op te pakken, zodat hij vervolgens op mijn schouders kon kruipen om dan in mijn nek te liggen, als een nep-bontkraag. Hij ronkte in mijn oor en doopte er zijn natte, kouwe neus in. Kon hij praten, dan zou hij zondermeer fluisteren: ‘Sheeeee-ba!’

Hij, met zijn tijgerjasje met witte kraag en bijhorende witte sokken, was de verstrooiing die me mijn zorgen eventjes deed vergeten en mijn glimlach deed verbreden. Ai.

Hij was het, die mijn huidhonger stilde, wanneer we lepeltje-lepeltje lagen en ik zijn zeemvellenbuik omarmde en beroerde om vervolgens onbezonnen weg te doezelen. Wakker worden met een kater was nog nooit zo zalig, het stinken uit zijn bek niet meegerekend.

Plotsklaps werd hij uit mijn leven gerukt. Na dertien jaar begaf zijn hart het, hoewel hij nog wat jaren en levens tegoed had. Zo vond ook mevrouw de dierenarts die hem enkele maanden voordien had verlost van stenen in de plasbuis en blaas. Hij kreeg een ferme rits op zijn buik als herinnering.

Nu lag hij op sterven en ik moest hem uit zijn lijden verlossen. Ik knikte en de dierenarts voegde hét toe in zijn infuus. Luttele seconden en weg was hij. Mijn hart kreeg een steek. En nog.

Wilson dankte zijn naam aan de film Cast Away. – voor de onwetenden: Google is uw vriend. Geen volleybal die mij soelaas bracht, op het denkbeeldige verlaten eiland waarop ik me, weliswaar uit vrije wil, terugtrek en vertoef, maar een acht kilo kat. Zo was dat.

Simon, meneer de andere kat, neemt gretig de spotlight van Wilson over en ik zeg niet nee. Hoezee.

 

IMG_5500