Marathon 10.0

Tags

, , , , , , , , , , , , ,

‘Raad eens waar ik mijn volgende marathon zal lopen?’ Zo’n vraag brengt bij moeder een onschuldige hartritmestoornis en een tsunami van gedachten teweeg. Vader, die doet niet mee aan nutteloze stress. Hij eet rustig verder, want zijn tukje wacht.

New York, New York! Er verschijnt toch een goedkeurende, jij-bent-me-er-eentje glimlach op haar gezicht. Daarachter schuilt natuurlijk dat ze maar al te blij en opgelucht zal zijn, wanneer ik terug in een veilige moederstraal van pakweg vijf kilometer vertoef. Gelukkig zit er nog wat rek op. Kwestie van adem te hebben.

Aldus begon ik aan mijn hardloopschema. Kilometers vreten en genieten als een kind bij het afvinken van alweer een training. De hersenen worden tijdens de opbouw naar de kwestieuze 42,195km voldoende verlucht en ontdaan van overbodig stof en spinsels. De dosis moed wordt gespekt. Het is een totaalpakket.

Dat een hernia, artrose in de teen en een knie met streken me af en toe deed surplacen, laat ik eventjes buiten beschouwing.

Naast het hardlopen moest ik ook mijn entourage op poten zetten, die me veilig en wel zou begeleiden tijdens de marathon. Die slechtziendheid bezorgt me nog net geen sterallures.

Dankzij Achilles International, een organisatie die het voor mensen met een beperking mogelijk maakt om deel te nemen aan een loopwedstrijd, kreeg ik vier begeleiders toegewezen: Art, Cara, Gail en Nancy. Het kon weer niet op. Pas in de vroege ochtend van de marathon zouden we elkaar voor het eerst live ontmoeten. Spannend, zo’n blind-loop-date. In plaats van een roos zou ik mijn witte stok als herkenningspunt meehebben.

Touchdown in New York! Het acclimatiseren kon beginnen, met een comaslaapje. De sluimerende stress moest de kop ingedrukt worden. Jawel, zelfs na negen marathons denk ik nog steeds: shit, hoe zal ik deze klus weer klaren? Faalangst. Ach, jullie stressen niet, nooit zenuwen, controle-freaks. Reuzen met 100 ogen zeker?

Zondag 5 november. De wekker liep af om 3u15. Looptenue aandoen. 3u45 ontbijt. IJsberen. Ademen. Klets tegen de kaak. 4u45 taxi richting ontmoetingsplaats met de buddy’s. Afscheid nemen van mijn reisgezel. Tot aan de meet!

De bussen van Achilles stonden klaar. Er volgde een lange rit naar de start: Staten Island. Ideaal om wat te kletsen en af te tasten wat voor vlees er in de kuip van Team-Tina zat. Menselijk, toch? Cara was de jongste van de bende, 28 en ze bruiste van energie, terwijl ik nog mijn bed rook. Gail was de lieve gezinstherapeute, 43, die me gratis peptalk gaf en dit met veel superlatieven. Nancy, 60, zou mijn skinny ass blijven volgen. Ze mocht blijven. Art, 61, was de gereserveerde gentleman die precies opfleurde met al zijn vrouwen.

9u50. Na de minuut stilte naar aanleiding van de recente terreuraanslag en Frank Sinatra die zijn stad bezong, kwam er eindelijk wat schot in de zaak. Kippenvelmomentje.

Plotsklaps overviel me een vermoeidheid om u tegen te zeggen. De zakken onder mijn ogen duwden mijn glimlach naar beneden. Nog een geluk dat het geen schoonheidswedstrijd was. De eerste kilometers liep ik met zware benen en ik had al snel in de smiezen dat ik de late brunch wel op mijn buik kon schrijven.

Ik kreeg een ferme pijnscheut in de enkel. Ik was alweer vergeten dat ik de avond voordien het trottoir had gemist. Lompheid en slechtziendheid zijn nefast voor toptijden. Ik slikte een Feldene en de pijn ebde weg.

Gail liep links van me. Een lint hield ons samen. Cara liep als entertainer op kop. Nancy was op achtervolgen aangewezen, en Art bleef rechts. Hij was de waterdrager en vulde mijn flesje telkens het leeg was. Hoe verwend kun je zijn? Na een tijdje heb ik hem toch ontslagen als rechtervleugel, aangezien hij maar tegen me aan bleef lopen. En toen kwam de kat op de koord: ‘Ik heb wat problemen met mijn linkeroog.’ Oh well.

Cara was de leider en ik volgde gedwee haar benen en signaal gevende handen, die me ervoor behoedden om letterlijk op mijn bek te gaan. Ik bleef maar lopen. Strakker kon het niet. Nancy had zich her en der aan een pitstop verwacht, maar op een kuitenbijter uit Belgenland had ze niet gerekend. Ha!

Van Staten Island, Brooklyn, Queens en The Bronx heb ik slechts een glimp kunnen opvangen. Gelukkig ben ik niet doof, vandaar dat het oeverloze gejoel van de enthousiaste menigte een welkome doping was, hoewel een plotse stilte op een lege verdomde brug teveel, me wat rust gaf in mijn hoofd. ’t Is altijd iets, zeg het maar.

In Manhattan vertikte ik het zelfs om nog op te kijken. Zwijg me over de resterende kilometers. Is het nog ver? Waar zijn die bomen van Central Park? Mijn topteam moedigde me aan. De laatste honderd meter: mijn lijf schreeuwde. Ik vloog over de meet met de armen in de lucht.

Marathon 10.0, eat that!

 

‘Laby-rent’

Tags

, , , , , , , , , , , , ,

De schemering kondigde zich aan als voorbode van de duisternis. Voor mij een teken om huiswaarts te keren. Ik had nog grof geteld een uur de tijd om op een relaxte, veilige manier met mijn beste vriend – de witte stok – naar huis te stappen. Nachtblindheid staat garant voor de onmogelijkste accidenten.

Ik had voor Levensloop en het goede doel wat rondjes gelopen op de Finse piste in fijne compagnie, zonder me écht moe te maken. Aldus zou een extra vijf kilometer wandelen naar huis voor mij absoluut geen dooddoener zijn. Ho, ho mag ik ook eventjes stoefen, over datgene waar ik tegenwoordig goed in ben? Goed zo.

Aangezien het gros van het sportieve wandel-loop gezelschap met de fiets was – de verkoop van picon vin blanc en gerstenat in de tent had er absoluut niets mee te maken – was het voor mij een nu of nooit moment. Afhankelijk zijn blijft een heikel punt. Ik geef het toe.

Op aandringen van de teamleidster werd ik door haar dochter van het sportterrein begeleid. Van daaruit zou ik ongetwijfeld mijn plan trekken. De stevige kinderhand nam het over en ik liet begaan. Hartverwarming in de omgekeerde wereld.

Met haar geschminkte snoet en guitige glimlach, beschut onder de gele regenkap, zwaaide ze en riep me nog schalks na: zorg maar dat je niet verdwaalt! Voor een achtjarige uk is ze al vroeg bij de pinken, dacht ik ietwat verbouwereerd. Verdwalen, wat zou ik.

Gezwind ging ik met mijn gedachten en fijn gevoel na het bijdragen van mijn steentje aan de strijd tegen het beest genaamd kanker, richting huisje weltevree. Een perfect scenario.

Cut! Mijn buikgevoel gaf me plots een schop en stopte abrupt de mijmerij. Het gebuurte, dat al precies in slaapmodus verkeerde, kwam me niet bekend voor. Ik hield halt en spitste de oren. Ik hoopte op geroezemoes van zoevende auto’s op de stadsring, dat als indicatie zou kunnen dienen om me weer op het goeie pad te brengen. Het werd me niet gejeund.

Daar stond ik dan te blinken in mijn looptenue, met een rugzakje, nonchalant leunend op mijn witte stok. Ik waande me eventjes een vermomde Fred Astaire. Er verscheen een glimlach op mijn gezicht, want ik zag er de humor van in. U leest het goed. HUMOR.

Het gefluister van de voortschrijdende duisternis bracht mijn gezicht weer in mijn vertrouwde serieuze plooi. Mijn hartslag maakte een sprongetje, want de gedachte dat ik in het donker, op onbekend terrein vast zou komen te zitten, deed me een ietsepietsie huiveren. Mijn wonder woman outfit lag thuis.

Kaartlezen op mijn smartphone was geen optie. Tegen de tijd dat ik dat had uitgedokterd kon ik er een nachtspel van maken. Zwaaien met mijn witte stok naar de voorbijrijdende auto of dame op de fiets, deed ik niet, overtuigd dat ik uit deze wirwar van straten zou geraken. Koppigheid heet dat dan.

De voor mij onbekende, opduikende kerk bracht noch soelaas noch verlichting. Ik ben meer vertrouwd met de kroeg aan een kerk, maar die was nergens te bespeuren. Ik werd een lichte vermoeidheid gewaar. Het begon stilletjes aan te lijken op het scenario van een marathon. Je krijgt plotsklaps de klop van de hamer en dan ben je aangewezen op je doorzettingsvermogen, om het tot een goed einde te brengen. Prettig gestoord zijn helpt ook.

Eureka! Een rijbaan, auto’s, stoplichten, frietkot en zowaar een bekende kroeg. Ik zette er wat vaart achter, want de duisternis zat me op de hielen. Ik rook mijn stal. Uiteindelijk kon ik nog net met mijn volle gewicht tegen de voordeur de donkerheid buitensluiten, met de glimlach. Wat had je gedacht?

‘Niets is wat het lijkt’

Tags

, , , , , , , , , , , ,

‘People are strange’, en hij nam nog een tripje. Een halve eeuw geleden zong Jim Morrison dit voor de allereerste keer en dit op zo’n hallucinante wijze, dat je je zonder drugs een outsider voelde. Slikken, snuiven en spuiten, gasten!

Het enige wat ik ooit op mijn tong heb laten smelten, was een Imodium, net voor de start van een marathon. Dit terzijde.

Zelf zweefde ik in 67’ nog lekker rond in de kuiten van vaderlief om pas, per abuis, twee jaar later in volle Flower Power door moeder op de wereld gezet te worden. Beduusd schreeuwde ik het uit, alsof ik wist dat het geen Trivago-tripje zou worden. Ik begin weer, ja.

De weg die ik tot op heden heb afgelegd, is ongetwijfeld geen klassieker, maar een met verrassende wendingen en cols om te surplacen. Ik wacht nog altijd op mijn bolletjestrui. De koersgenen van grootvader steken weer de kop op.

Ondertussen heb ik de kaap van twee jaar thuiszitten bereikt. Ik bedank voor een medaille, echt. Heel wat puzzelstukjes zijn op hun plaats gevallen, waardoor ik mijn huidige situatie wat beter kan schetsen en aanvaarden. Het heeft me enorm veel energie gekost én tijd, maar die stond sowieso aan mijn zijde samen met geduld.

Voorwaar, het komt nog goed met me!

Hola, doe maar rustig aan met dat vreugdedansje op muziek die klinkt als: ha, we zijn van haar weemoed en klaagzang af. Mag ik jullie erop wijzen dat er nog ettelijke puzzelstukjes ontbreken? Ok.

Door wat teruggevonden rust houd ik me bovenal bezig met het anticiperen op datgene wat me dusdanig mentaal of fysiek de das zou kunnen omdoen. Ik faal nog regelmatig, ik geef het toe. Trunterij valt wel eens uit de mond. Vandaar dat een olifantenvel ook van doen zou zijn om me te wapenen tegen de lompheid en het zwart-witdenken van sommigen. À propos, degenen die zich aangesproken voelen, hoera en er is werk aan jullie winkel.

Ik ben een gevoelige trien, het is eruit! Zwijg stil, ik hoef dat boek van Fleur van Groningen – alle respect, Fleur – niet te hebben gelezen, om plots inzicht te hebben in mijn zijn. Dat kind was zelfs nog niet geboren toen ik al besefte dat ik een buitenbeentje was: niet raar, maar anders, speciaal mag ook. Zo is het en niet anders. Was ik een man, dan heette ik beslist Hans.

Adem in en uit en lees verder in plaats van je te ergeren aan oprechtheid. Och, jullie hebben het zo druk en watjespraat hoort niet op jullie tijdlijn. En of ik wel mijn pilletje heb geslikt, stik.

Naast die verdomde kwetsbaarheid beschik ik ook over een flinke dosis doorzettingsvermogen – lees positief – dat soms leidt tot grote en kleine overwinningen, waarvan ik dan denk: hoe is het mogelijk en waarom doseer ik die kracht niet, zodat die wirwar in mijn hoofd constant in goeie banen wordt geleid. Ik kick blijkbaar op moeilijk. Hoewel, jezelf bij de kraag grijpen na een dip is geen sinecure. Hoe het is, wanneer je er daadwerkelijk in zit? Pyjama’s verslijten, dat.

Dipjes, ditjes en datjes, raar en onbegrijpelijk, gevoelig en hard, iedereen heeft wel wat. De een noemt de ander raar, overtuigd van hun normaal zijn, terwijl we allemaal een zootje ongeregeld zijn. Dat is pas normaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

‘Vallen en opstaan’

Tags

, , , , , , , , , , ,

Onlangs ben ik ’s nachts eens flink doorgezakt. Terwijl ik uit de losse pols die immer vrolijke zinnetjes en gedachten op het computerklavier tokkelde, had de pianokruk het blijkbaar gehad met mijn voortdurend wiebelend pluimgewicht. Krak.

Ik kieperde achterover met een kreet, die de katers plotsklaps uit hun eeuwige slaap rukte en weg deed sputteren. Wat extra versnellingen kunnen die twee vetzakjes alleen maar ten goede komen, tenzij een hartstilstand, door ’t verschieten, daar een stokje voorsteekt.

Met een harde bonk kwam ik op mijn staartbeen terecht, om dan verder met veel voetbalallure op de buik terecht te komen en te blijven liggen alsof het een doodsmak was. Na middernacht kus ik toch liever een mooie man dan de planken vloer. Stof eten, dat!

De eerste gedachte die in me opkwam, terwijl mijn hartslag zijn normale ritme zocht, was: shit, ik zal niet meer kunnen hardlopen. Inderdaad, de rest van de wereld, met zijn fratsen en problematiek, zal me worst wezen, en aangezien ik een luxeleven heb, is intensief lopen momenteel mijn dada. Geeuw maar.

Na een vijftal minuten baden in angstzweet en dit zonder tranen, kwamen de katers behoedzaam tevoorschijn. Ze snuffelden aan de kapotte kruk, om zich dan parmantig en katsgewijs richting hun voederbakje te begeven. Valsaards. Hun spuitje is besteld.

Tijdens mijn pose als aftands vloerkleed had ik een ijl moment: ik had een lief! Hij sloeg zijn sterke arm om me heen om me dan liefdevol en zachtjes verticaal te hijsen. Hij liet mijn hoofd op zijn schouder rusten. Hij suste me tot dat ik weer van deze wereld was – geduld was hier vandoen – om dan uiteindelijk zoet in mijn oor te fluisteren: je hebt toch dat geruite hemd, dat ik nodig heb voor die belangrijke vergadering morgen, kunnen strijken hé, schat?

Uiteindelijk schraapte ik al mijn moed samen, zonder lief én krassen te maken, en kreeg ik mijn getormenteerde lichaam weer wat in beweging, voorzichtig aftastend welke de meest vloeiende en minst pijnlijke houding was om recht te komen. Ik was precies een decennium ouder geworden, althans zo schreeuwde mijn lijf. Dit is drama pur sang!

Och gottekes, ze is weer de enige op deze aardkloot die pech heeft. Toe dan, flap het er maar uit.

Daar sta je dan ’s nachts na tweeën. Er verschijnt eventjes een glimlach – misschien moet ik wel vaker op mijn gat vallen – wanneer ik dit banana-split-moment weer voor de geest haal. De ernst neemt het algauw weer over, want ik voel dat er een zwelling boven mijn bevallig achterwerk is gerezen, met als toemaatje een blauwe plek om u tegen te zeggen.

Ik hoopte dat met pijnstillers en voldoende rust de kous zou af zijn, maar ik belandde nogmaals bij mevrouw doktoor. Na een hevige hoestbui kwam mijn verdoken hernia in de onderrug al stralend gedag zeggen. Rotzak.

De combinatie hernia en pijnlijk staartbeen is nefast voor de moraal en het bereiken van mijn vooropgesteld doel. Moraalridders, zwijg stil.

Drie weken na de val heb ik mezelf weer bij de kraag gevat en op de looprails gekregen, waarbij ik me soms de vraag stel: zou die natuurlijke bron van moed en willen onuitputtelijk zijn? Stel je voor.

Rien ne va plus.

Tags

, , , , , , , , , , , ,

‘Opleiding spelbediende’, stond er in het krantenknipsel. Ik slaakte een mini-eureka-kreetje alsof ik eindelijk de oplossing had gevonden voor mijn niet wiskundig probleem. Wie waagt, die wint en warempel: ik slaagde dankzij een handjevol talent en een grote schep doorzettingsvermogen. Die morele kracht zou de leidraad worden in mijn verdere leven, weliswaar met hier en daar een kortsluiting, kwestie van de spanning erin te houden.

Ik verkaste zonder enige moeite van Brugge naar Blankenberge, wonderschone stad, alwaar ik in het casino de zuurverdiende centjes van gepensioneerden en andere bonte figuren door mijn vingers liet glijden en veelal deed verdwijnen. Moord en brand en ander moois slingerden ze dan naar je hoofd bezeten door de gokduivel.

De Amerikaanse roulette was mijn kwelduivel, want ik sloeg er wel eens tilt – toen ook al, voel ik u denken – wanneer het er aan de tafel tjokvol zat en ze van alle kanten met biljetten en jetons smeten, nét voor het balletje in de cilinder zou vallen. Bloed van onder mijn nagels, ik zweer het u. Laat ons stellen dat het in de speelzaal niet altijd van een leien dakje liep. Ik heb mijn klauwen moeten uitslaan om mijn plaatsje te kunnen behouden en wat respect af te dwingen. Gelukkig was daar ook de blackjacktafel, die op gezette tijden een welgekomen verademing was. Ik geef het toe.

Tijdens het nuchter nachtbraken aan den toog van een of ander slecht cafeetje, pikte ik weleens flarden op van andermans dromen. Werken als croupier op een cruiseschip. Ik vond dat daar wel wat muziek in zat. ’t Klonk alleszins beter dan de hoempapamuziek op de achtergrond. Die flarden van een ander nestelden zich in mijn hoofd en weldra begonnen ze een vaste vorm te krijgen. Tussen dromen en werkelijkheid waren er geen praktische bezwaren meer. Ik had alles afgevinkt. Solliciteren bij Carnival Cruise Lines, check. Positief antwoord. Hoera! Ontslag geven, appartement opzeggen, meubels in container stockeren, check. Auto verkopen: ik koop wel een nieuwe. Vliegtuigticket ‘going to Miami’, in de sjakos. Met de glimlach mijn collega’s uitzwaaien en van sommige denken: stik.

Mijn eerste schip heette de Imagination en het sprak daadwerkelijk tot mijn verbeelding. Afleveringen van de ‘Love boat’ speelden zich op mijn netvlies af. Helaas duurde dit maar een halve dag, want ik zat blijkbaar op het verkeerde schip. Uiteindelijk werd de Inspiration, al even imposant, mijn nest voor de komende zes maanden. De realiteit nam het over van de dagdromerij. Zestien dagen aan een stuk werken. Ik belde net niet naar mijn moeder. S.O.S

Na enkele weken aan boord raakte ik nog steeds verloren. Ik wist nog steeds niet of ik nu aan de voorkant of achterkant van dat enorme gevaarte zat. Mijn oriëntatie was meelijwekkend en heden is het niet anders, want ik verlies nog wel eens het noorden. Jullie gps werkt optimaal, hé?

In het casino stonden vooral slotmachines, blackjack -en pokertafels en slechts enkele roulettetafels waarop het spel, vergeleken met dat in Blankenberge, peanuts was. Ik zou wel gek zijn om daarover te neuten.

Het cruisen en werken beviel me mettertijd dusdanig goed, dat er van heimwee geen sprake was. Ik voelde me vrij als een eend op het water. Ik denk vaak met weemoed terug aan die mijlpaal, die me verhalen gaf om over te mijmeren en te koesteren. Een ware jackpot.

Cubaanse nachten

Tags

, , , , , , , , , , , , , ,

Onlangs nam ik op een onbewaakt moment het boek met bovenstaande titel terug ter hand. Herman Portocarera fungeerde naast schrijver ook als ambassadeur van België in Cuba. Havana om precies te zijn.

Ik veegde er een laagje stof van af, wat een aanval van een niesbui en een mijmering teweeg bracht.

Het was 98’, het jaar dat de Fransen hun beste wereldvoetbal-beentje voorzetten. Zidane kopte toen nog tegen de bàl. Dit terzijde. Ik had enkel het begin- en eindpunt van mijn Cubaans avontuur vastgelegd. Tussenin was het koffiedik kijken. Mijn Lonely Planet en buikgevoel zouden me dat extra zetje in de goeie richting geven.

Van tunnelzicht was toen nog geen sprake, hoewel dat al om de hoek lag te loeren, klaar om met gretigheid te kunnen beginnen knabbelen aan mijn netvlies. De rotzak.

Nachtblindheid was de enige beperking die ik toen had, de voorbode van wat nog moest komen. Neen, mijn karaktertrekjes noch persoonlijkheid hoeven nu niet onder de loep genomen te worden. Een andere keer misschien.

Ik zigzagde doorheen het eiland met bus en trein, altijd zo geregeld en getimed, dat ik bij daglicht op de plaats van bestemming arriveerde. Een uitzondering mocht natuurlijk niet ontbreken. Wat had je gedacht?

Ik stond op het perron, figuurlijk vastgenageld, in het donker, wachtend op mijn contactpersoon, die dan nog gitzwart bleek te zijn. Zijn stralende witte tanden dienden als lichtbaken. Het was een goedlachse kerel, een meevaller.

Probeer dan maar eens uit te leggen dat je nachtblind bent, wanneer je Spaanse vocabulaire bestaat uit een tiental woorden. Leve de pantomime.

Een van de keren dat ik kon proeven van het Cubaanse nachtleven en zijn salsamuziek, werd ik begeleid door Rizo, gastheer van de Casa Particular waar ik logeerde. Ik dacht dat hij het ondertussen in het snotje had, sinds onze ontmoeting op het perron, hoe de vork in de steel zat met die ogen van me.

Behoedzaam loodste hij me mee naar wat hij dacht, dat me wel zou bevallen: een donkere, tjokvolle boîte. Rizo was de sigaar, het werd zijn kortste discotheekbezoek ooit. Ondertussen ben ik al redelijk getraind om met plotsklapse radeloosheid om te gaan. Klap maar in de handjes.

Aldus nestelde ik me in mijn kamer van zodra de duisternis viel. Vergezeld van een boek en straatmuziek,  die door de luikjes glipte en het geritsel van meneer of mevrouw de kakkerlak dempte, voelde ik me de koningin te rijk.

Naast ongedierte had ik het geluk om de kamer, alsook overnachtingskosten, eens te delen met een Venetiaans blonde Duitser, die ik tijdens een busrit had ontmoet. Bijgevolg kon ik zonder ook enig charmeoffensief te voeren, ’s avonds aan zijn arm hangen en in het pittoreske Trinidad rondstruinen op zoek naar muziek en lekkers. Ha!

Na twee nachten scheidden onze wegen en ik maalde er niet om. Zijn oorverdovend gesnurk hield althans de beestjes op afstand, maar helaas niet mijn slecht humeur. Auf wiedersehen.

Ik vervolgde wederom welgezind en gezwind mijn solitaire weg richting Varadero. Daar waagde ik mij aan een tandem parachutesprong om mijn avontuur af te sluiten. Vrijheid blijheid.

Inmiddels werden mijn vleugels geknipt, want er werd al duchtig gepeuzeld aan mijn netvlies, met een witte stok als gevolg. Ik had me liever een trendy accessoire aangeschaft.

Val ik in herhaling? Word ik zeurderig hier en daar? Pech. Laten we wisselen van ogen – slechtzienden mogen zich onthouden – en dan spreken we af in het etablissement van Rizo. Voor mij alvast een Cuba Libre!

‘Vrolijke, vrolijke vrienden’

Tags

, , , , , , , , , , , ,

Plotsklaps gaf ik haar een mep in het gezicht. Die had ze niet zien aankomen. Ik nog minder. Het was alsof er een denkbeeldig, uitgerekte elastiek knapte. Baf!

Ik sprong op mijn fietsje en maakte me zo snel mogelijk uit de voeten. Moeder keek me bedenkelijk aan toen ik met een rooie kop en zwaar hijgend als een postpaard, de garage binnenstoof. Het leven als kind was toen ook al geen ponykamp. Rol maar met de ogen.

Voor ik goed en wel een leugentje uit mijn mouw kon schudden, om mijn vreemd gedrag te verklaren, ging de deurbel al. Lap. Daar stond hij dan: meneer de rijkswachter alsook vader van het meisje, dat het met een handafdruk in haar gezicht én een bloedneus mijnentwege, nodig vond om moord en brand te schreeuwen. De trut.

Aan een gevangenis en lijfstraf ben ik gelukkig ontsnapt. Een kleine afkoopsom om het bebloed kledingstuk te vergoeden was blijkbaar genoeg. De morele schade daarentegen was ietsje groter, want ze zijn uiteindelijk met hun hele hebben en houwen terug naar Limburg gaan wonen. Opgeruimd staat netjes.

Met weemoed denk ik vaak terug aan dat voorval: de flinke klets die ik haar verkocht en de zalige opluchting die ik daarbij ervoer, als kind buitengesloten worden, omdat ik misschien te hard mijn best deed om er bij te horen. Onrecht is a bitch. Dat té-gedrag ook een boosdoener kon zijn, wist ik toen nog niet. Een levenshandleiding kwam niet bij de geboorte. Gelukkig is het bij die ene lel gebleven. Het was waarschijnlijk om het af te leren, denk ik dan.

Hoewel ik het frequent moeilijk had om mijn opkomende colère te kanaliseren, met als gevolg dat ik er al eens uit zag als een pruttelende Etna of blauw oplopend naar het ziekenhuis werd gebracht, omdat ik het vertikte te ademen, hield ik netjes mijn pollen thuis. Flink, flink.

Ik ben nu uit dat kolerieke gedrag gegroeid en al een centimeter gekrompen. Mijn stilte is zowat mijn beste vriend geworden. We staan aan de zijlijn van een verwarde wereld en bekijken het allemaal, vooral dan overdag.

Maar, – er is altijd een maar – wanneer ik vind dat het welletjes is geweest, dat die mantel der liefde goed is voor de brandstapel, alle spreuken in de trant van : zwijgen is goud, vergeef uw naaste en doe niet aan een ander wat je zelf niet graag hebt niets meer betekenen, dan durf ik nog wel eens uit mijn slof te schieten. Met een ongemakkelijke stilte als gevolg. Er komt al endorfine vrij bij het schrijven van die gedachte. Ha!

Onlangs kreeg ik een figuurlijke klets in mijn gezicht. Shit, dacht ik. Of ik die nu verdiend had of niet laat ik terzijde, maar het deed geen deugd. Degenen die het nog niet wisten : ik ben dus niet perfect. En degenen die van meer weten, zwijg maar stil.

Ik fietste niet naar moeder om me achter haar rok te verstoppen, want fietsen en vluchtauto’s nemen is verleden tijd. – Het bordje met ‘compassie’ op, liefst in grote, vette letters, mag je nu omhoog steken.

Ik nestelde me daarentegen in dat verdomde zelfbeklag, om dan uiteindelijk te relativeren, te plaatsen en vooral : om eruit te leren. Ik hoef zelfs niet te verhuizen. Oef.

 

 

 

 

 

Het verschil met mijn vriend Jan.

Tags

, , , , , , , , , ,

Boskamp kleurt mijn dag niet. Jan Mulder daarentegen nou, die slaagt daar wonderwel in. Hij tovert zelfs een Mona Lisa-glimlach op mijn gezicht, die mijn permanent serieuze gezichtsmasker doet kraken, zo goed is hij. Extra time met de begeerde Groninger is voor mij dus geilen als een krolse kat. Al last van een kerende maag? Kauw op een gavisconnetje.

‘Alle vrouwen vallen voor Mulder’, lees ik dan. Klein momentje, ik ben niet ‘alle vrouwen’. Ik ben ik en denken kan ik ook. Kauw maar verder.

Ik eet geen voetbal, maar ik kan het wel smaken. Is dat geen mooi meegenomen extraatje bij zo’n sportprogramma, hè?

‘And it’s a goal from Charlie George!’. Jarenlang bleef deze jubelkreet van een of andere Engelse voetbalcommentator in mijn hoofd hangen. Vreemd wel, wetende dat ik nog maar een uk was toen hij de pannen van het dak speelde bij Arsenal en Derby City. Waarschijnlijk zat ik in kleermakerszit met mijn neus op het tv-kastje. Het is nu niet heel anders.

U moet weten dat ik met de paplepel voetbal ingegeven werd. Vader pikte af en toe zijn goaltje mee bij de groene ploeg van ’t stad. Hij was een snelle buitenspeler, zo lees ik in de archieven. Dan kregen we voorgeschoteld: sportweekend op de BRT, vervolgens overschakelen naar Nederland, Duitsland en als kers, Match of the day. Gelukkig heb ik er geen verslaving aan over gehouden. Té gezond.

Terug naar Mulder, jawel. Wat is dat toch met die man? Nou, ik hou wel van zijn mooie woorden, onzin en ja, wat voetbalanalyses ook, die er soms nogal theatraal, lyrisch uitgespuwd worden. Vluchtig nipt hij dan van zijn glas water, om zijn acte de présence door te spoelen.

Natuurlijk overdrijft hij en slaat hij occasioneel de bal compleet mis. Er zijn grenzen aan mijn naïeve bewondering, wees gerust. Vooral dan wanneer ik hem niet zie of hoor.

Allicht luister ik naar de andere gasten, ook al komen die niet altijd even poëtisch uit de hoek en laten ze Elsschot alsook hun panache achterwege. Zo hou ik van de fluwelen, rustige stem van Franky Van der Elst, die dermate wijs is om op gezette tijden te zwijgen, zodat de haantjes aan hun trekken kunnen komen. Het siert hem. Mark Degryse en Peter Vandenbempt mogen ook blijven. Namen noemen is toch zo makkelijk, vind je niet?

Misschien moet Filip Joos, met zijn eigen kijk en olifantengeheugen, eens op de stoel van Frank Raes plaats nemen, als die al niet tot op de draad versleten is. Een stoelendans ja, dat!

Maar ere wie ere toekomt, Johan Boskamp is een veelvraat wat voetbal betreft. Vandaar dat hij vaak tafelt als gast in Stadion, waar hij het mooie weer maakt met zijn bulderlach, Rotterdamse tongval en temperamentvolle uitvallen. Brusselmans en de ket maken het plaatje af.

Ach, ik ben geen analist, columnist, germanist noch voetbalist. Kritiek geven is zo makkelijk, vooral wanneer je er niets van kent, toch? Ik kijk voetbal gelinkt aan mijn gemoed en dat is wisselvallig. Ja, jullie zijn elke dag even vrolijk zeker en vinden de buitenspelfase vast een makkie.

Dus als Mulder mij eventjes uit de realiteit trekt en mijn hoofd wat bijvult met mooie woorden en zinnen, dan zeg ik: ik blijf fan van Jan!

‘Stevie in wonderland’

Tags

, , , , , , , ,

Na een winterslaap, die al begon in de herfst, kreeg ik eindelijk een prik. Het deed geen zeer. Mijn geest was eindelijk gereset en het lijf had dringend nood om als een natte hond de muizenissen en spinsels van zijn vacht af te schudden. Ik had enkel nog een staart tekort.

Er lag een feestje in het verschiet en daar zou ik mijn kat voor thuis laten en uit mijn comfortzone stappen. Een toffe madam en het goede doel maakten het me nog ietsje makkelijker om de daad bij het woord te voegen.

Och gottekes, ze gaat ook eens naar een feestje, gaat er als een flits door jullie hoofd. Wacht, ik ben nog maar goed op dreef.

Ik had me al mentaal voorbereid op het feit dat het feestgedruis zou plaatsvinden in een donker hol. Nachtblindheid is een teef.

Mijn opgeplooide, witte stok had ik bij de hand, verstopt in mijn handtas, niet zeker of ik die wel te voorschijn zou durven te halen. Maar, ik kon ook rekenen op goeie zieltjes van vrienden en vooral dan hun arm. Mijn vertrouwde, helaas blauw-zwarte, zaklamp was ook een optie. Groen-zwart was eens uitverkocht. Aan hulplijnen dus geen tekort.

De onrust over het al of niet genoeg zien had ik wat verdrongen en dat maakte plaats voor : ik zou koste wat kost de heupen los maken op de dansvloer, in de veronderstelling dat ik niet eerst letterlijk op mijn bek zou gaan, op weg naar. Ik kan verrassend uit de hoek komen, echt.

Het huis van de jeugd was quasi leeg toen we arriveerden. Ik liet vluchtig mijn radar werken in de bijna volledig verduisterde fuifzaal en registreerde in mijn hoofd wat voor mij het belangrijkste was.

De dansvloer, check. Podium, check. Bar, check. Donker zwarte, betonnen paal, dubbele check.

Ik palmde de barkruk in als extra steunpunt. Eventjes wist ik me geen raad, maar dan werd ik subtiel gerustgesteld door iemand met een kennersblik. Zo heb ik het graag, want ik geef zonder pardon een rode kaart voor betutteling. Ik plofte me eindelijk neer. De hartslag daalde.

De ouwe rakkers en makkers stroomden op hun elan toe. Ik werd af en toe ge-update, wie, wat en waar ze stonden. In stilte hoopte ik dat ze naar mij zouden toekomen, want tegen dat ik ze gevonden zou hebben, zouden we de zon kunnen zien opgaan.

De bar werd een magneet. De volumeknop werd een tandje bijgezet Helaas sloot het geroezemoes en het zwarte gordijn voor de ogen me bijna volledig af van het gezelschap. Relax bijpraten zat er niet meer in, hoe graag ik dat ook wou. Ik zat gevangen. Waar was die prins?

Wat verbeeld ik me toch steeds weer? Sprookjes bestaan niet. Kordaat stond ik op en met behulp van mijn zaklamp schuifelde ik richting podium. ‘I’m feeling good’ van Nina Simone werd met veel verve gebracht en gezongen. Leve Ella.

Dat ik al geen spraakwaterval ben, is algemeen geweten. Anderen kunnen het zoveel beter. Ik luister als een spons en wring die af en toe eens uit. Weliswaar te weinig. Vandaar dat ik me op de dansvloer smijt als ik daar de kans toe krijg. Dansen is mijn drug.

Het is ongetwijfeld een vreemd gegeven om iemand uit de bol te zien gaan, met een zaklamp in de hand die af en toe oplicht. De dansvloer is een van de weinige plaatsen waar ik me zelfzeker voel en mijn knop omdraai. Dus mag het eventjes, ja?

‘Ah Stevie’, zei hij. Ik voelde zijn brede grijns en proestte het uit. Hij is een van die mannen die me kan doen schaterlachen. Het is weinigen gegeven, maar het kan ook aan mij liggen. Voor alle duidelijkheid, uw mening wordt hier niet gevraagd.

Zou een wildvreemde me Stevie Wonder noemen, dan geef ik die een welverdiende tik met mijn witte stok. Ik beslis nog altijd zelf of ik dat koosnaampje kan hebben of niet. Strenge tante.

Winters stof heb ik in trance van me afgeschud. Het zout op mijn huid smaakte naar meer. De combinatie muziek, vrienden en Stevie hebben mijn batterij wonderwel opgeladen. Die van de zaklamp is leeg.

 

‘Golf van vrijheid’

Tags

, , , , , , , , ,

Met een beteuterd gezicht overhandigde ik een stukje van mijn vrijheid. Met de mouw van mijn jas gaf ik de nummerplaat nog vlug even een liefdevolle veeg. De dame van het verzekeringskantoor keek me stoïcijns aan.

In gedachten verzonken reed ik op de fiets huiswaarts, maar nog net genoeg geconcentreerd zodat ik niet met mijn klikken en klakken in de vaart terecht kwam. De slechte ogen zijn steevast een bron voor drama en avontuur.

Drie decennia geleden slaagde ik voor mijn rijbewijs, tot groot ongeloof van mijn rijinstructeur. Het kon niet snel genoeg gaan om rond te rijden in mijn eigen autootje. Aangezien ik een verwend nest ben, hoef ik er geen kanttekening bij te maken. De Golf I was een feit.

De pluchen dobbelstenen bengelden aan de achteruitkijkspiegel. Dat was iets van de jaren tachtig. Het kon natuurlijk ook zijn, dat ik geen smaak had wat interieurinrichting betreft.

Mijn rijgedrag had nog wat kinderziekten. Dat bleek tijdens de terugweg van Limburg. Twee zwaantjes begeleidden me naar het eerstvolgende benzinestation. Als een trillend blad nam ik mijn eerste boete in ontvangst.

Wist ik veel dat chauffeurs zich de haren uit het hoofd trekken en veranderen in Mr. Hyde, wanneer je onbezonnen op het middenvak blijft rijden. Van Ben Weyts, en zijn campagne tegen middenvakrijders, was er 30 jaar geleden nog geen sprake, ha!

Na wat Gentse nachtbrakerij reden mijn lief en ik de snelweg op. We hoopten op een veilige thuiskomst, aangezien de motorkap met een stoffen zakdoek werd dicht gehouden. U leest het goed! Na enkele kilometer schoot de kap los, vloog over de vangrail en verdween in het duister. Na middernacht gebeuren er de raarste dingen.  J.J Cale zong het ook.

De Golf I begon overduidelijk wat blutsen en barsten te vertonen. Het beestje was geen lang leven meer beschoren net als onze relatie. Snik.

De Golf II deed zijn intrede. Ik bolde gezapig op mijn nieuw ingeslagen weg. Maar niet voor lang, want een volgende uitdaging klopte aan. Ik verkocht de wagen, verliet wal en koos voor het ruime sop én wat avontuur.

Om mobiel te zijn tijdens mijn zesweekse verlof in Belgenland, kon ik een Golf I op de kop tikken. Een batje nostalgie.

Helaas nam het lot een andere wending. Het contract met Carnival Cruiselines werd abrupt beëindigd dankzij meneer dolfijn. De jaloerse snoodaard boorde zijn neus in mijn lijf. Ik hield er drie gebroken ribben aan over en een one-way ticket naar huis. Fuck Flipper.

De Golf I.2 had ondertussen zijn laatste adem uitgeblazen. Welkom aan de omafiets. Een tijdje had ik zelfs een Suzuki motorfiets 400cc bouwjaar ’77, passend bij mijn ‘Born to be wild’ T-shirt. Grijns maar.

De nieuwe job vereiste een auto. Wat Golf betreft was ik ondertussen de tel kwijt en ik ging eens de Japanse tour op. Overmand door dat terug gekregen gevoel van onafhankelijkheid, pinkte ik nét geen traan weg.

Bij een Japanse auto hoort géén kamikaze handleiding. En toch bevond ik me, over een tijdspanne van enkele jaren, meer en meer in benarde situaties op de weg. De degeneratieve oogaandoening, met de gratis bijhorende stress, was aan het winnen.

Met pijn in het hart gooide mijn gezond verstand uiteindelijk de handdoek in de ring.